is toegevoegd aan uw favorieten.

Duizend en één nacht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

groene paradijs ik sterf van dorst en toch is Uw speeksel als de rivier Kauthar*)."

Toen aten zij samen tot zij geheel verzadigd waren; daarna stonden zij op, Hassan goot hun water over de handen, besprenkelde hun met rozenwater en gaf toen twee koele dranken, met rozenwater en sneeuw en suiker bereid. Zij bedankten Hassan vele malen en gingen daarna terug naar hun tent. Adjib ging toen naar zijn grootmoeder, die hem vroeg waar hij geweest was, en hem wat eten voorzette, maar het noodlot wilde dat ook zij juist granaatappels had gekookt, die echter niet zoo zoet waren. Zij zeide den besnedene ook mede te eten, die bij zichzelf dacht: „Wij kunnen niet meer op!" Adjib begon wat te eten, maar daar hij, evenals zijn dienaar zeer verzadigd was en de spijze niet goed genoeg vond, zeide hij: „Foei, wat is dat 'n slecht eten." De oude vrouw was gansch verbaasd en zeide: „Mijn zoon, versmaadt gij mijn keuken? Ik heb dat gerecht zelf toebereid, en behalve mijn zoon uit Baszrah evenaart niemand mijn kookkunst." Adjib antwoordde: „Wij hebben bij een kok in de stad hetzelfde gerecht gegeten; dat was pas lekker, het Uwe haalt er niet bij!" Toen zeide zij boos tot den dienaar: „Jij bederft mijn zoon en gaat met hem in herbergen." De dienaar zeide, uit vrees: „Wij waren niet in een eethuis, wij zijn alleen maar langs een rondventenden kok gegaan, maar zonder iets te eten." Adjib echter zwoer dat het wèl waar was, en dat zij in den winkel véél lekkerder granaatappelen hadden gegeten dan de hare. Toen ging de oude vrouw in hevige woede alles aan den vizier vertellen, die den euneuch bij zich liet roepen. Deze bang om te worden gedood, ontkende alles, maar Adjib zeide: „Heusch grootvader, in den winkel van een kok was het, wij hebben zooveel gegeten dat het er bijna weer uitkwam, en nog twee porties sneeuw met suiker toe." Nadat de slaaf met stokslagen bewerkt was, moest hij ten slotte wel bekennen en zeide: „Nu ja, mijn gebieder, hét is zoo, wij zijn bij een kok in den winkel geweest, en hebben daar betere granaatappels gegeten dan hier." Toen werd de oude vrouw nóg woedender en zeide: „Bij Allah! dan moet je van dien kok een schotel granaatappelen hier brengen, Uw Heer zal ze proeven en dan moet hij zeggen welke beter zijn." De dienaar ging daarop met een schotel en een halven dinaar de stad in, naar den kok, en zeide hem: „O, beste kok, we hebben in het huis van onzen meester gewed, welke granaatappelen de beste zijn, geef mij dus voor een halve dinaar er van." De kok antwoordde lachend: „Bij Allah! Niemand kan dit gerecht zoo goed toebereiden als ik en mijn moeder, die nu ver van hier is." Toen vulde hij den schotel, goot er boter over, en de euneuch liep er mede naar de tent terug. Adjib's grootmoeder proefde er dadelijk van en daar zij ze uitstekend vond, herkende zij direct wie dit moest hebben toebereid; ze gaf een luiden

*) Een rivier in het paradijs.

92