is toegevoegd aan je favorieten.

Duizend en één nacht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den op, kusten den grond en riepen: „Wij zijn bereid te gehoorzamen, o koning! Zelfs als gij een uwer slaven over ons wildet stellen, zouden wij gehoorzamen; hoeveel te meer nu gij ons uwen zoon tot heerscher geeft, dien wij bij ons hoofd en onze oogen gaarne als koning aanvaarden!" De koning daalde van zijn troon af, plaatste zijn zoon er op en sprak: „Ziet hier uwen koning!" Toen nam hij zijn kroon af en zette dien zijn zoon op, omgordde hem met den rijksgordel en, terwijl Seif op den troon zat, ging hij op een gouden zetel er naast zitten. Alle aanwezigen kusten den grond en riepen: „O koning, boven allen verdient gij koning te zijn!" De wachters riepen den rijksvrede uit, baden voor zijn geluk en roem en strooiden goud en juweelen onder het volk; de koning deelde gaven uit, verleende eeregewaden en sprak recht.

Hierop wendde de vizier Fares zich tot de vorsten en rijksgrooten en sprak: „Gij allen weet dat ik reeds vizier was voordat koning Assem regeerde. Ik wil thans ook mijn ambt ten gunste van mijn zoon Said neerleggen. Wat zegt gij daartoe?" — „Niemand meer dan uw zoon Said verdient vizier van koning Seif Almoeloek te worden, want zij passen uitstekend bij elkaar." Hierop nam de vizier den viziersturban af, en zette haar zijn zoon op; daarna plaatste hij de andere insignes aan zijn voeten. De wachters riepen: „Heil, heil, hij verdient het, hij verdient het!" De oude vizier en koning Assem openden hun schatkamers, en deelden aan allen geschenken uit; ook werden er nieuwe firmans met de stempels van koning Seif Almoeloek en den vizier Said geschreven. Het samenzijn duurde nog een week, daarna gingen allen naar huis. Koning Assem echter ging met de beide jongelieden naar het paleis, liet door den schatmeester den zegelring, het zwaard, het kastje en den boog brengen en zeide hun te kiezen wat zij wilden. Seif Almoeloek nam eerst den ring en Said het zwaard, daarop greep de eerste het kastje en Said den boog. Zij kusten 's konings hand) en gingen naar hun paleis. Zonder te zien wat er in zat, legde Seif Almoeloek het kastje op zijn rustbed; Said ging naast hem liggen. Te middernacht ontwaakte de koning en herinnerde zich het kastje. Nu werd hij nieuwsgierig om den inhoud te zien. Hij stond op, nam een der kaarsen die er stonden, ging in een andere zaal dat Said niets zou merken, opende het kastje en vond er een door genieën gemaakt kleed in. Toen hij het openvouwde, zag hij van binnen op den rug het gouden afbeeldsel van een meisje. Bij het zien daarvan verloor hij zijn bezinning en een vurige liefde beving hem. Als een razende kuste hij het kleed en viel in onmacht; toen weende en klaagde hij en zeide deze verzen op:

„Had ik de macht der liefde vroeger gekend, dan was ik minder onvoorzichtig geweest; nu heb ik mij haar in de armen geworpen en ben haar gevangene!" Hij sloeg zich in het gezicht en weende en klaagde zoo lang dat Said er eindelijk door ontwaakte. Verwonderd merkte hij dat de koning niet meer naast

255