Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stukken, groote in marmer gehouwen ruiters en gevleugelde, maar aan hun plaats gebannen monsters in één zelfde verstild gebaar tegen den lichten achtergrond op en om de slanke toppen der torens wemelde onhoorbaar de vlucht van duizenden grootvleugelige vleermuizen en klonk soms het klagend geschreeuw en gekras van nachtuilen over de doode paleizen en de slapende tuinen.

Lang bleven zij toeven en op de stad neerzien. Toen zij eindelijk weer afdaalden, kwamen zij bij marmeren tafelen, waarop verzen gegrift waren.

„O menschenzoon, hoe ijdel zijn uw verwachtingen! De Dood is U nabij, reken niet op de toekomst! Er is een Meester, die de volken en legers verstrooit en uit de pracht hunner paleizen de koningen doet afdalen in het enge graf! Zeg mij, waar de veroveraars, de heerschers over Irak, Ispahan en Khorassan thans zijn! Zij zijn heengegaan en het is alsof zij nooit geweest waren!"

Op een andere stond:

„O zoon der aarde, gij leeft in genot en slaat geen acht op de geboden des Heeren! De dagen uws levens spoeden voort en gij bedenkt het einde niet! Maar op den Dag der Opstanding zult gij voor Uwen Heer moeten verschijnen. Bereid U dan voor, Hem tegen te treden!"

Er waren nog tal van andere inschriften, die allen het ijdele van macht en grootheid predikten, en de emir Moesa kon zijn aandoening niet bedwingen en stortte tranen, toen de sheikh Abdoel Kaboes ze hem vertaalde. Hij liet van allen afschriften maken; daarop beval hij hout te kappen en daarvan lange ladders te maken om zoo de muren te beklimmen. In vijf dagen waren zij hiermee klaar en nu beval Moesa een zijner mannen, den ladder op te gaan. Tooi hij op den muur stond en een blik naar beneden wierp, riep hij luide: „Bij Allah, hoe schoon!","hief zijn handen omhoog en sprong van boven naar beneden, waar hij met verpletterden schedel bleef liggen. Zoo ging het ook de anderen, die naar boven klommen, tot eindelijk de oude sheikh onder het aanroepen van Allah's naam op den muur steeg. Hier bleef hij een poos staan, en riep toen Moesa toe, dat de betoovering verbroken was. Toen hij boven kwam, had hij namelijk eerst schoone jonkvrouwen gezien, die hem toelachten en wenkten en het scheen hem, als ware de diepte een watervlakte, zoodat hij al naar beneden wilde springen, toen het noemen van Allah's naam den waan verstoorde en hij de lijken dergenen zag, die hem voorgegaan waren. Hij liep nu over den muur tot hij aan twee koperen torens kwam met twee gouden deuren, waar echter slot noch grendel aan te zien was. In het midden was in reliëf een gouden ruiter aangebracht met uitgestrekte hand, waarop te lezen stond: „Wrijf twaalf maal den spijker in mijn navel!" Toen de sheikh dit gedaan had, gingen

25 Duizend en één Nacht. I

385

Sluiten