Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog boven haar volgster uit en zij was het, die juist gezongen had en de andere had haar op de luit begeleid.

Zij bemerkte dat er iemand aan de poort stond, en zond haar dienares op mij af, en deze vroeg of ik, oude man, mij niet schaamde, in eens anders woning vrouwen te bespieden. En ik zeide dat ik inderdaad oud was en dorstig daarbij. En zij riep haar slavin, mij wat water te brengen. En ik dronk en ging niet weg, zoodat zij mij vroeg, waar ik nu nog op wachtte. Nu zeide ik, dat mij juist een gedachte was ingevallen, die mij zeer bezig hield en toen zij vroeg, wat dat wel zijn kon, antwoordde ik dat ik aan de wisseling van het lot dacht, hoe namelijk vroeger hier een goede vriend van mij gewoond had, Mohamed ben AU, een juwelier en dat ik peinsde, of hij kinderen had nagelaten en dat het mij toescheen, dat zij misschien wel zijn dochter was. Zij bevestigde dit en vroeg mij, nu eindelijk heen te gaan, maar ik zeide dat het mij dacht, dat zij verdriet had en of ik haar niet zou kunnen helpen. Hierop zeide zij, dat zij moeielijk haar vertrouwen aan een vreemde kon schenken, maar toen ik mijn naam had genoemd, noodigde zij mij uit, binnen te komen, onthaalde mij gastvrij en vertrouwde mij eindeUjk haar geheim met deze woorden toe: „Ik heb iemand Uef en ben van hem gescheiden." Ik antwoordde dat zij zelf zoo schoon was, dat haar minnaar zeker ook volmaakt edel en bevallig moest zijn en zij zeide, dat het de Emir Djobeir was, het hoofd van den stam der Beni-Scheiban, een toonbeeld van schoonheid. Zij had hem nog maar kort leeren kennen maar haar Uefde was er niet minder vurig om en ook de Emir scheen haar lief te hebben, maar in eens was hij op een enkele verdenking af geheel veranderd. Verbaasd vroeg ik haar hoe iemand ter wereld haar verdenken kon en zij glimlachte even en zeide: „Zoo het nog wegens een anderen man was, maar hij is jaloersch op deze, mijne slavin." En zij vertelde, dat zij op een keer, uit het bad gekomen, door de slavin met aankleeden werd geholpen en dat deze, die haar meesteres innig Uefhad, juist zeide, dat zij eigenUjk een man had willen zijn, om haar meesteres nog meer lief te kunnen hebben, toen de Emir plotseling binnenkwam en deze woorden gedeelteUjk hoorde. „Hij wierp ons een toornigen blik toe en ging weg en sinds dien is hij niet weergekomen en laat niets meer van zich hooren." En tranen blonken in haar oogen en rolden over hare wangen. Ik kon dan ook niet laten, haar mijn diensten aan te bieden en zij sloeg die niet af en schreef een brief, waarin zij hem bezwoer toch tot haar terug te keeren en niet naar slechte inblazingen te luisteren en gaf mij het schrijven om het aan den Emir ter hand te stellen, mij vijfhonderd goudstukken belovend, zoo ik haar antwoord bracht.

Met den brief ging ik naar den Emir, die juist van de jacht terugkwam. En ook zijn schoonheid verblindde mij en toen hij, mijn naam hoorend, van zijn paard steeg en mij omarmde, was het mij, alsof ik de zon en de maan in mijn armen sloot. Hij ontving mij met uitgezochte beleefdheid en noodigde mij

409

Sluiten