is toegevoegd aan je favorieten.

Verzamelde opstellen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

296

HET VOLK EN ZIJN PUNCTIE.

wi/ng van het kiesrecht als een natuurlijk recht van den mensch ?

Volgens Eousseau en zijn school is de wet niets anders dan de uiting van den wil der burgers, uit te voeren door de Eegeering. Is dat nu anders bij den hoogleeraar Krabbe?

Volgens hem ligt „de daadwerkelijke behartiging der volksbelangen in handen van gecommitteerden van het parlement, die tesamen het ministerie uitmaken"; dat parlement is op zijn beurt een „college van gecommitteerden door de kiezers, inzoover het initiatief en de actie op pohtiek gebied meer bij de organisaties der kiezers, bij de pohtieke partijen dan bij het parlement komt te liggen, terwijl het parlement als een hchaam van vertrouwensmannen voor de naleving door de Eegeering van het verkiezingsprogram heeft te zorgen".

Houdt men nu daarbij nog in het oog, dat de „taak van den wetgever allermeest is een beslechting van strijd tusschen maatschappehjke belangen" en dat „tegenover dien strijd en zijn oplossing de kiezer in staat moet wezen stelling te nemen", dan is het zonneklaar, dat het de kiezers zijn, die den strijd beslechten en dat de regeering niets anders is dan de uitvoerder van den kiezerswil.

Waar in de vertegenwoordiging alle „rechtsovertuigingen" moeten worden vertegenwoordigd en geen enkel orgaan aangewezen is om tusschen die rechtsovertuigingen te beshssen, daar kan de beshssing van niets anders afhangen dan van de meerderheid. Daarbuiten of daarboven gaat niets. Zelfs waar een waarborg tegen overijling in een niet rechtstreeks door het volk gekozen Eerste Kamer gezocht wordt, daar „bestaat geen of onvoldoende waarborg, dat aan den eisch eener volksregeering wordt voldaan".

Opentop Eousseau!

Men heeft meermalen gezegd, dat eene democratie a la Eousseau slechts mogelijk ware in eene maatschappij van engelen. Waar allen niet zichzelven zoeken, maar God willen dienen; waar men niet afgetrokken wordt door eigenbelang en zondige neiging; waar onderlinge liefde bestaat, daar is de overheidstaak betrekkehjk niet moeilijk. Daar is slechts eenig verstand noodig om, wat allen begeeren en begeeren mogen, onder juiste regelen te brengen.

Welnu! wat spottenderwijs van Eousseau's democratie werd gezegd, schijnt ernst te rijn bij den Groningschen hoogleeraar.

Op dit oogenbhk is het natuurlijk anders. De tegenwoordige rechtsordening is niets anders dan een ordening der belangen van de „heerschende klasse". De „oppositie tegen het algemeen kiesrecht spruit voort uit bedreiging van belangen", namehjk „de bijzondere econo-