is toegevoegd aan uw favorieten.

Gedenkboek van het Bataafsch Genootschap der Proefondervindelijke Wijsbegeerte te Rotterdam tot een blijvende herinnering aan het 150-jarig bestaan, uitgegeven door het bestuur

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De eenige fout, van ondergeschikt belang trouwens, welke in dit voortreffelijk onderzoek te ontdekken valt, is de verklaring van het binnendringen van het gas; volgens deze zou binnen in de buis door het condenseeren van den waterdamp in het koudere gedeelte van de buis een gedeeltelijk vacuüm ontstaan, dat aan de onder normale drukking buiten de buis aanwezige gassen de gelegenheid bood om naar binnen te dringen. Terecht werd deze verklaring ■ door Van Mons'), die overigens de groote waarde der proeven ten volle besefte, verworpen; in een zelfde wijde buis kan niet naast de gewone drukking een aanmerkelijk lagere drukking bestaan bebben; maar het gas kon toch ook zonder dat door de poreuze buis naar binnen diffundeeren, zoodat het feitelijk gebeuren niet in twijfel behoefde te worden getrokken.

Door Berthollet werd aan onze scheikundigen een welverdiende hulde voor hun afdoend onderzoek gebracht2) en de tegenstanders lieten verder niets meer van zich hooren.

Kooloxyde.

Na vermelding van een onderzoek van zuiver scheikundigen aard over het salpeterigzuur en deszelfs zouten3), hetwelk eenig verband hield met hun vroeger werk over stikstof-oxydule, bespreken wij ten slotte in het kort den laatsten arbeid, die door de zoo vruchtbare samenwerking der Amsterdamsche scheikundigen tot stand kwam; het „last not least" is daarop niet van toepassing. Het had betrekking op het intusschen door Priestley uit metaal-oxyden met koolstof verkregen kool-oxyde4), waarvan zij het bestaan meenden te moeten ontkennen. Volgens hen was het reeds verdacht, dat Cruikshank, die het nieuwe gas uit barium-carbonaat met ijzer-oxyde of uit ijzer met krijt bereidde, het gas beschouwde als koolzuur, gedeeltelijk van zijn zuurstof beroofd, terwijl Fransche scheikundigen het verkregen uit koolzuur met koolstof en het dienovereenkomstig opvatten als koolzuur met een overmaat van koolstof; blijkbaar zagen zij hierin een essentieel verschil. Zij beproefden de bereiding met koper in plaats van ijzer, wat niet gelukte, en dit moest bewijzen, dat de reactie met het ijzer verkeerd was geinterpreteerd. Bovendien vonden zij ook een brandbaar gas, indien zij stikstof in plaats van koolzuur leidden door een verhitte ijzeren buis met houtskool. Zij meenden ten slotte te moeten besluiten, dat het brandbare gas, hetwelk langs al die verschillende wegen verkregen was, een koolwaterstof was. Bij het explodeeren met zuurstof verkregen zij namelijk een

]) ]. B. van Mons. Ann. de Chim. 36. p. 180. 1800. s) Berthollet. Ann. de Chim. 35. p. 23. 1799—1800.

*) Scherer 7. p. 243. 1801. Nat.-Scheik. Verh. derde stuk, tweede verh. 1801.

4) Société des chim. Hollandais. Ann. de Chim. 43. p. 113. 1801—1802. Nat. Scheik. Verh. derde stuk, derde verh. 1802.

75