is toegevoegd aan uw favorieten.

Verklaring van den Katechismus der Nederlandsche bisdommen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vr. 16

107

het zijn bestaan te danken heeft, want niets kan bestaan zonder een voldoende reden]). Nu is er niets in de wereld, dat in zich zelve de reden van zijn bestaan vindt; integendeel alles is door voorafgaande oorzaken voortgebracht. De ontelbare planten, dieren en menschen, die nu op deze aarde zijn. bestaan niet uit zich zelve, want dan zouden zij altijd bestaan hebben; noodzakelijk bestaan; oneindig volmaakt, onveranderlijk zijn. Hetzelfde dient gezegd van alle verschijnselen in het wereldverloop. Maar de naast-voorafgaande oorzaken hebben, op hare beurt, haar ontstaan weder aan andere oorzaken te danken. En al laten wij nu milliarden opeenvolgingen van oorzaken onzen geest voorbijtrekken en al zouden wij toegeven een oneindige veelheid van steeds opklimmende oorzaken, toch blijft het waar, dat die oneindige veelheid van oorzaken, evenmin als elke oorzaak afzonderlijk, de voldoende reden van bestaan in zich zelve bezit. Wanneer men zich een eindelooze keten denkt, waarvan elhfi schakel is voortgebracht, dan moet ook de geheele keten zijn voortgebracht. De voldoende reden van bestaan of de werkelijkheidsgrond dezer wereld met al hare verschijnselen, ligt derhalve niet in de wereld zelve, en bijgevolg is het bestaan der wereld voor het natuurlijk verstand onverklaarbaar, tenzij men zijn toevlucht neemt tot een buitenwereldsche oorzaak, die de wereld heeft voortgebracht. Deze buitenwereldsche oorzaak nu moet bestaan van zich zelve, of weder moeten wij opklimmen tot een hoogere, die het onveroorzaakt Zijn zelf is. Dit onveroorzaak} Zijn, dit Wezen, dat van zich zelve bestaat, noemen wij God, Scheptter van hemel en van aarde *).

Tevergeefs beroepen zich de godloochenaars op de ontwikkeling of evolutie, waardoor de tegenwoordige wereld zich uit een nevelbol en al de levende wezens zich uit eenige eenvoudige cellen zouden ontwikkeld hebben. De evolutie immers kan hoogstens een antwoord wagen op de vraag, hoe het verloop der wereld is toegegaan, maar zij geeft geen verklaring van den laatsten grond, waarop het bestaan van alle wereldsche dingen rusten moet.

Ook het beroep op een oneindige veelheid van opklimmende oorzaken raakt het bewijs niet; want dit gaat uit van de bestaans-

V Al onze oordeelen steunen op dit beginsel. Wie dit beginsel loochent, kan niet meer redeneeren. *) Zie Dr. Beijsens, bl. 99; Devivier, Apologie des Christendoms, bl. 24.