Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

182

I k: Deze bekentenis doet u eer aan! Daar dit nu alles zoo is, en daar gij overtuigd zijt, dat hij u met teederheid bemint, uwe waardij kent en erkent; daar gij zulke goede beginsels hebt; daar gij uzelve, zéér verstandig wantrouwt; waarvoor zijt gij dan bekommerd?

Z ij: Voor hersenbeelden, die mijne eigen dwaasheid mij aan de hand geeft. Dan denk ik eens: zal zijne liefde duurzaam, zal zijne achting bestendig zijn? Zal ik den toegevenden vriend in den ernstigen echtgenoot behouden? Zullen onze humeuren wel genoeg harmonieeren? zal hij geduld met mij hebben, als hij kan bevelen? Hoe zal die inwoning bij zijnen vader gaan? Ben ik een meisje, dat een redeloos ik wil het zoo, kan eerbiedigen? Zal ik kunnen dulden, dat mijn lieve, verstandige man begrouwd, of als een jongen behandeld wordt? Wat zal ik met zoo een vader aanvangen, die, met al zijne goede hoedanigheden^ de liefde zijner eigene kinderen nooit heeft weten te winnen? Mijn humeur, weet gij, is niet moeilijk: maar weet gij. waartoe verdriet mij zou brengen?

Ik: Ja! gij zult öf ziek worden en wegkwijnen; öf gij zult gemelijk en stout worden.

Z ij: Sloof ik irgj dan niet kostelijk uit? Met dit alles had ik niets te maken, zoo ik bij u bleef. Hoeveel zet ik' op de huwelijkskaart? en wat trek ik, zoo het al ten beste loopt? Eene groote drukte, beslommering, en een huis vol zorg.

Ik: Gij vergeet iets, en dat is ook nog al zoo iets; veel of weinig, 't moet er toch bij opgenoemd.

Z ij: En wat, zoo het u blieft?

Ik: Hoeveel gij ook, om uwe uitdrukking te gebruiken, op de huwelijkskaart zet, gij doet winst, 't Is waar, gij wordt maar meesteresse van zijn hart-; gij komt maar onder de bescherming van uwen besten vriend. Evenwél, dit is nog al zoo iets, liefde.

Z ij (zij glimlachte): Nu hebt gij mij aardig beet. Laat ik er u een kus voor geven.

Ik: In ernst, mijn Burgerhartje, zoo gij inderdaad (en daar ben ik voor mij zeer van verzekerd), den huweHjksweg inslaat niet het zuiver voornemen om uwen

Sluiten