Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

190

klok. De overige bedienden werden binnengescheld; de heer Blankaart overeind rijzende, nam een schoon tafelbord, waarop zes verzegelde kleine pakjes\ lagen. „Hier, kinderen," zei hij tegen de bedienden, „daar is voor u elk eene gedachtenis van dit huwelijk. Gelijke monniken, gelijke kappen: Abraham Blankaart kan, en wil ook wel, Goddank,! wat missen." Hij gaf elk een pakje, en zij gingen in de keuken zich vroolijk maken. „Vrienden," zei de brave man, „zie, ik ben, wil ik spreken, maar een oude vrijer, ik heb kind noch kraai, en God de Heer heeft mij boven alle mijne begeerten gezegend; ik weet, 't is waar, niet wat het vaderlijke hart is; maar dit lieve bruidje is de waardige dochter van een man, dien ik mij ten vriend had uitgekozen; zij is onder mijne oogen opgegroeid; duizendmaal zat zij op mijn schoot met mij te snappen, of hare poppen te kleeden (want ik ben eéri rechte kinder-gek) zoodat ik maar zeggen wil, dat dit de gelukkigste dag van mijn leven is, en dat ik nu' niets meer van God te wenschen heb, dan dat ik en alle brave menschen gelukkig zijn." Onze Dominé besloot, op 't verzoek der oude heeren, dit vriendenmaal met een dankzegging, die ons de hoogste denkbeelden gaf van zijn godvruchtig hart en zijn menschlievenden aard. Den eerwaardigen jongeling rolden de tranen op de samengeslagen handen. Zijne stem was zielroerend, alles was diepe aandacht.

De heer Blankaart luisterde mij m 't oor, dat wij moesten dansen. Willem en ik haalden twee violen. Een gaf ik er aan mijn vader: „Jongen," zei hij, „ik doe er niet meer aan! Ik vrees, dat het gebrekkig zijn zal." Evenwel, de vreugd, die zijn hart overstroomde, deed hem die aannemen; ik bood er den heer Smit ook een, die, zonder eenige kwalijk geplaatste verontschuldiging zei : „Ik zou dit fatsoenlijk gezelschap oneer aandoen, indien ik mij onttrok om het mijne tot eene zoo billijke vreugd bij te dragen. Wij zijn onder de roos." De heer Blankaart haalde de bruid op. Zij danste niet wel, niet zóó wel, meen ik, als zij 't anders kan, en zij verzocht hem om geëxcuseerd te zijn. Toen moest Letje en Willem op de baan; beiden toonden, dacht mij, dat zij

Sluiten