Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

199

163e BRIEF: MEVROUW SARA EDELING AAN MEVROUW DE WEDUWE SPELGOED

Allerdierbaarste Vriendin!

Ja, ik ben gelukkig! Nimmer kan ik de goede en wijze Voorzienigheid genoeg dankbaar zijn. Nimmer kan ik u, beste der vrouwen, genoeg blijken geven van de liefde en achting, die mijn hart voor u vervullen. Met huiverende .beangstheid, zie ik op dat groote en zooveel bevattende gedeelte mijns levens, waarin ik uit mistroostigheid en trotschheid werd aangedreven om - een huis te verlaten, daar ik zoo slecht werd behandeld. Hemel! wat kon het gevolg van zulk eene lichtzinnigheid geweest zijn? Mijn altoos blijde geest wordt met nevelen omwonden, als ik mij daarop bepaal. Hoeveel jonge meisjes worden er op de wegen der zèdeloosheid gezien, die nimmer dachten, het pad der deugd te verlaten! Mijn Letje behoefde maar geen goed karakter gehad te hebben ; en waar zoude zij mij niet hébben kunnen geleiden? Laat ik dus God danken, dat ik' in uwe bescherming kwam, en niets mij laten voorstaan op mijne eigen voorzorg; die had ik niet. Hoe konde ik die hebben, daar ik geheel geene ervaring bezat, en zoo genegen was om alles van de beste zijde te beschouwen. De brief mijner vriendin Willis, over dat onderwerp geschreven, kwam mij niet ter hand, dan na ik reeds mijne tante ontvlucht was. Het geval met den heer R. was mogelijk hoogst noodig, .om mij in staat te stellen, uit volle overtuiging uwe vermaningen te volgen! Ik wil voor u niets verbergen. Weet dan, dat mijn zucht tot het bijwonen van vermaken zoo sterk bij mij was toegenomen, dat, ik zeg het met schaamte, dat ik uwe lessen alleen uit liefde en eerbied voor u goedkeurde, en moest goedkeuren; 'dóch dat ik vreesde, die niet bestendig genoeg te zullen volgen, als de verzoeking eens wat sterk aanbond! Maar toen ik zag, in welk een gevaar ik, zorgeloos meisje, mij had laten leiden, langs eenen weg, met bloemen be-

Sluiten