is toegevoegd aan uw favorieten.

Verklaring van het Kort Begrip der christelijke religie, voor onze catechisanten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

118

„Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het die rechtvaardig maakt [vrijspreekt]. Wie is het die verdoemt [veroordeelt]?" Als de hoogste rechtbank of rechter, wil Paulus zeggen, ons vrijspreekt, ons rechtvaardig verklaart, welke rechtbank of rechter zal ons dan veroordeelen ? — Rom. 5 : 1 „Wij dan, gerechtvaardigd [vrijgesproken] zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus''. .— Rom. 3 : 18. „Wij besluiten dan dat de mensch door het geloof gerecht- vaardigd [vrijgesproken] wordt." — Rom. 8:1. „Zoo is er dan gsene verdoemenis [veroordeeling] voor degenen die in Christus Jezus zijn." Rom. 4: 3. „Abraham geloofde God, en het is hem gerekend tot rechtvaardigheid." Abraham had dus geene gerechtigheid voor God in zichzelven, maar door het geloof in God, of in het beloofde zaad, werd hij haar deelachtig.

Soms wordt het woord „rechtvaardig" in de H. Schrift ook wel gebezigd in den zin van godzalig, heilig, uitwendig onberispelijk levende naar de rechten en wetten des Heeren. Zoo wordt Job een rechtvaardig man genoemd, en van Zacharias en Elizabeth wordt gezegd; „En zij waren beiden rechtvaardig voor God, wandelende in al de geboden en rechten des Heeren onberispelijk", Luc. 1 : 6. Blijkbaar is de tweede helft van dezen zin een verklaring van de eerste. Op dit gebruik of op deze beteekenis van het woord rechtvaardig dienen wij wel te letten, doch mogen daarom niet, gelijk de Roomschen, rechtvaardigmaking en heiligmaking (rechtvaardiging en heiliging) met elkander verwarren, door rechtvaardigmaking te nemen in den zin van heiligmaking. Ofschoon deze beide altijd en ten nauwste met elkander verbonden zijn, is er toch groot onderscheid, en wel in drieërlei opzicht: 1° de rechtvaardigmaking neemt de schuld der zonde weg, de heiligmaking de smer der zonde, 2° de rechtvaardigmaking geschiedt volkomen in dit leven, de heiligmaking ren deele, 3° de rechtvaardigmaking geschiedt buiten den mensch (in het oordeel Gods), de heiligmaking in den mensch.

Ten slotte ontga het onze aandacht niet dat ook hier weer geheel persoonlijk gevraagd wordt: wat baat het ü dat gij dit alles gelooft? Terwijl ook het antwoord luidt: Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben. En zoo ook in de volgende vragen en antwoorden.