is toegevoegd aan je favorieten.

Werken van G.A. Bredero

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONSCHULD, EN TOEGIFT TEGEN ALLE VERSTANDELOOSE WAAN-BET-WETERS EN GAREN-WYSE OORDEELAREN.

Ick heb, o waerde Vrindt en Heer, Op dit Voorslagh geen stoffe meer; Heb ick 't na wensch niet konnen deylen, Onkunde is 't, die hinderdt myn: Geen werck hoe schoon dat het mach zyn, Of daer sal somwyls yet an feylen.

Het is voorwaar geen vromer man.' Die meerder doet als hy en kan. Ick heb het na myn macht geschreven; Ghy die dit siet, erkauwt of leest, Zijt ghy begift met hooger Geest, Den jongen Leerling wilt toegeven.

Verschoont, merckt ghy myn onverstant: Niet veel tfe kennen is geen schant, Maar die wel mach en niet wil leeren2 Heb ick my wat te veel verkloeckt, Scheldt niemandt die te leeren soeckt Van u, o kunstenrijcke Heeren.

Is yemand hoogh, en wel begaaft, Wat baat dat hy zyn licht begraaft, < Bekooren-maat voor ons gesichten? Is u Vernuft so hel en klaar, So steltet op de kandelaar, Het sal ons duysterlingen lichten.

Hy is wel wijs, en waard ge-eerd, Die ons het nut met vreughde leerd, Gelyck veel oude kloecke Wysen; 't Is niet genoegh datmen 't vermeet:3 Betoont met doen het geen ghy weet, Soo sal u werck zyn Meester prysen.

1 Het, er. — 2 Mach, kan. — 2 Vermeet, zich aanmatigt.