is toegevoegd aan uw favorieten.

Handboek voor het Nederlandsche handels- en faillissementsrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 13. VERSCHILPUNTEN HANDELS- EN BURQERLIJKE ZAKEN. 101

Evenmin behoort hiertoe het geval van art. 570 K-, bepalende, dat de overeenkomst van bodemerij schriftelijk moet worden opgemaakt. Ook hier dient het schrift niet tot bewijs, maar is het noodig voor het toestaan der bodemerij; vgl. art 572 K.J

Een dading in zaken van koophandel zal slechts van waarde zijn, ■wanneer zij schriftelijk is aangegaan. Art. 1 lid 2 K. is hier niet van toepassing, daar het schrift ook hier niet strekt tot bewijs van de overeenkomst: er bestaat in het geheel geen dading, wanneer schrift ontbreekt; vgl. Diephuis, Ned. Burg. Recht, XIII blz. 439; C. P. Zaayer, Dading naar Nederlandsch Recht, Prfschr. 1889, blz. 80. i

Somwijlen wordt dit zoo uitgedrukt, dat de akte in de genoemde gevallen dient solemnitatis causa en niet probationis causa. -

In handelszaken is dus bijna altijd getuigenbewijs toegelaten1), in burgerlijke zaken in een groot aantal gevallen niet.

Dat voor dit verschil geen enkele goede grond is aan te geven, wordt thans algemeen erkend. „Wel zijn de juristen er verlegen mee om de uitzondering voor handelszaken goed te maken," zegt van BoneVal Faure, Procesrecht, IV, 2 blz. 16. — Er is wel eens beweerd, dat daarom in zaken van koophandel het getuigenbewijs ruimer moet zijn geoorloofd, omdat de spoed, waarmede dikwijls tusschen kooplieden gewichtige contracten tot stand komen, en de menigvuldigheid dier contracten het veelal onmogelijk maken die schriftelijk aan te gaan. Maar men ziet, dat juist in den handel veel eerder een schriftelijk stuk wordt opgemaakt en dat schrifturen daar veel meer gebruikelijk zijn (nota's, facturen, brieven) dan in het burgerlijk verkeer, hetwelk meer op onderling vertrouwen steunt; vgl. van Boneval Faure t. a. p.; Mr. Hartogh, Handelingen Juristenvereeniging, 1883, I blz 213.

Er bestaat geen bezwaar tegen de uitgebreide toelating van het ge-> tuigenbewijs in zaken van koophandel, maar wel .tegen de beperking in burgerlijke zaken. De gewichtige uitzonderingen in de artt 1933 en 1934 B. W. zijn af te keuren, omdat zij den rechter beletten in het zoeken naar de waarheid.

Bij Koninklijke Boodschap van 20 Sept. 1893 werd bij de Tweede Kamer een ontwerp van wet ingediend, waarvan de hoofdstrekking was art. 1933 B. W. te doen vervallen, maar tot een behandeling van dat ontwerp is het niet gekomen. In het bij de Tweede Kamer aanhangige wetsontwerp tot wijziging van de eerste zes titels van het vierde Boek van het B. W., komen de beperkingen van de artt. 1933

1) En in verband daarmede ook het bewijs door z.g. rechterlijke of feilelijke vermoedens en door een mondelinge buitengerechtelijke bekentenis; artt. 1959 en 1964 B. W.