is toegevoegd aan je favorieten.

Handboek voor het Nederlandsche handels- en faillissementsrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

292

§ 29. DE VENNOOTSCHAP ONDER FIRMA.

Hiermede is in geenen deele gezegd, dat de wet een vennootschap onder firma niet tot rechtspersoon zoude kunnen stempelen. Integendeel. De corporatieve gedachte ontbreekt niet bij de vennootschap onder firma; zie noot 3 op de vorige blz. Maar bovendien zijn rechtspersoon niet principieel en scherp gescheiden van andere vereenigingen die aan het verkeer deelnemen. Het aannemen van een eenheid, van een rechtspersoon, vergemakkelijkt — dit leert de ervaring — de oplossing van verschillende vragen en moeilijkheden die zich voordoen, wanneer een vereeniging van menschen in of buiten rechte optreedt. Dan bestaat niet de moeilijkheid, hoe men zich het gezamenlijk of gemeenschappelijk eigendom van alle leden en het individueel recht van ieder lid op de gemeenschappelijke goederen moet voorstellen; dan kan in processen de eenheid als eiseher of gedaagde optreden, is zij schuldeischer en schuldenaar; dan kan men zich ook gemakkelijk denken rechten en verplichtingen van de leden tegenover de gemeenschap; vgl. Thaller (5e druk) nos. 294, 314, 315; Scholten (Asser) I (4e druk) blz. 621.

Zie ook de opmerking van Lehmann, Lehrbuch des Handelsrechts 2e druk (1912) blz. 286 noot 4, dat het wenschelijk schijnt ook in Duitschland alle handelsvennootschappen tot rechtspersoon te verklaren, omdat die opvatting „zu klateren und einheitlicheren Resultaten führt und manche Zweifel, zumal mit Bezug auf den Prozess der offenen Handelsgesellschaft, beseitigen würde"; vgl. mede Kohier, die o/fene Handelsgesellschaft als juristische Person in Zeitschr. f. d. g. H. u. K. 1913 blz. 456 e. v. en het antwoord daarop van Lehmann t. z. p. blz. 462.

Dat alleen de wet aan een vereeniging- het gevolg kan verbinden en haar het practisch voordeel kan verschaffen van te worden een rechtspersoon, van te mogen optreden als een eenheid, is ook erkend door den H. R. in het arrest van 26 Juni 1914 W. 9680, waarbij de .rechtspersoonlijkheid van de Rijkspostspaarbank niet werd aangenomen; zie ook het in dat W. geplaatste onderschrift van' Meijers.

Het ligt voor de hand dat de wetgever niet te gemakkelijk de

gedachte dus geenszins geheel buitengesloten; de vennooten willen — gewoonlijk ook bij een maatschap — een zelfstandig vennootschapsvermogen scheppen.

Hoe moeilijk het dikwijls is de grens te trekken tusschen een maatschap en een vereeniging blijkt uit een aardig geval behandeld in het vonnis der rb. te 's-Gravenhage van 1 Dec. 1910 en in het arrest van het gerechtshof aldaar van 22 Jan. 1912 W. 9323. Eenige personen te Alphen, Oudshoorn en Aarlanderveen hadden zich vereenigd tot het gezamenlijk bezorgen van begrafenissen onder den naam begrafenisvereeniging „Simplicitas", waarvoor zij ook statuten hadden gemaakt. De vraag was of men hier te doen had met een maatschap of met een vereeniging zonder rechtspersoonlijkheid. Rechtbank en Hof namen het laatste aan.