Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

470

§ 36. VAN FAILLISSEMENT IN HET ALGEMEEN.

y goed deel het failHssementsrecht werd geregeld. Vooral de AmsterA damsche Ordonnanties van 2 April 1659i) en van 30 Jan. 1777*)

regelden ae materie en zijn van veel invloed geweest op de latere wetgeving in ons land. Ten aanzien van de verificatie van schulden, het akkoord, de insolventie en de verdeeling der baten vindt men hier de moderne beginselen3). Opmerking verdient, dat tot aan de overneming van de Fransche wet onderscheid tusschen kooplieden en andere personen niet werd gemaakt. Men zie voorts over de vroegere regeling hier te lande, J. v. d. Linden, Rechtsgel. Practicaal en Koopman'; Handboek III deel I afd. 10 blz. 383—386; De Wal III blz. 5 e. v.; Holtius (2e dr.) blz. 20 e. v.; Molengraaff, blz. 891.

In het Wetboek op de manier van procedeeren in civiele en crimineele zaken, gearresteerd bij decreet van het Vertegenwoordigend Lichaam op 22 Aug. 1799, vindt men in tit. 5 afd. 3 (artt. 107—132) een nadere regeling, grootendeels steunende op die van de Amsterdamsche Ordonnantie. Ditzelfde is het geval in het nimmer ingevoerde Wetboek op de rechterlijke instellingen en rechtspleging van 1809 Boek II tit. 5 hoofdst. 2 (artt. 651—679), hoewel de Fransche invloed reeds merkbaar is.

Van 1811—1838 hadden wij den Franschen Code de Commerce met zijn beperking tot kooplieden, terwijl op 1 October 1838 het Nederlandsche Wetboek van Koophandel werd ingevoerd, waarvan het 3e Boek tot opschrift had: Van voorzieningen in geval van onvermogen van kooplieden (faillissement en surséance van betaling). Daarnaast kwam in den laatsten (7en) titel van het 3e Boek W. v. B. Rv. een regeling voor ten opzichte van niet-kooplieden: Van den staat van kennelijk onvermogen.

Heel groot was. het verschil niet tusschen faillissement en staat van kennelijk onvermogen. Het voornaamste was wel dit, dat een koopman failliet kon worden verklaard, wanneer hij ophield te betalen (art. 764 K.), terwijl het veel moeilijker was iemand, niet tot den handelsstand behoorende, in staat van onvermogen te* doen verklaren. Dit kon alleen geschieden (art. 822 W. v. B. Rv.), wanneer hij blijkbaar buiten staat was om zijn schulden te betalen en hij zich bovendien bevond in een der gevallen omschreven in art. 883, n.1. 1) wanneer hij wegens schulden Was gegijzeld uit kracht van een eindvonnis en zich langer dan een maand in gijzeling had bevonden, 2) wanneer hij door onderscheidene schuldeischers gelijktijdig tot betaling van schulden werd vervolgd

i) Noordkerk, Handvesten van Amsterdam (1748) II blz. 687 e. v. ») Tweede vervolg op de Handvesten van Amsterdam door Farret blz. 102—113.

3) Vgl. Mr. G. Mo 11, De desolate boedelskamer te Amsterdam, Prfschr. 1879.

Sluiten