Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

500

§ 37. DE FAILLIETVERKLARING.

In de meeste gevallen wordt de faillietverklaring verzocht door een schuldeischer1). Hij moet in zijn verzoekschrift, behalve zijn vorderingsrecht, feiten of omstandigheden stellen, welke aantoonen dat de schuldenaar in den toestand verkeert van met betalen te hebben opgehouden, n.1. dat deze ook andere schulden onbetaald laat. Of de schuldeischer geld of iets anders heeft te vorderen, is onverschillig.

De schuldenaar zelf zal zijn faillissement aanvragen, b.v. wanneer hij met beslag op zijne goederen wordt bedreigd of dit beslag reeds is gelegd, ook om lijfsdwang te voorkomen of om uit de gijzeling ontslagen te worden (art. 33)2). %5i^^trwv& •*VV^'

Dat de Officier van Justitie faillissement aanvraagt komt zelden voor3). „Om redenen van openbaar belang", zegt de wet. Vroeger (art. 768 lid 1 K.) waren twee gevallen genoemd, n.1. wanneer de schuldenaar voortvluchtig was zonder orde op zijn zaken te hebben gesteld en wanneer hij bezjg was met het verdonkeren zijner goederen. Bij de samenstelling der thans geldende wet werd gewezen op nog andere gevallen zooals oplichting, of verduistering van in bewaring gegeven geld of goed4). Is naar het oordeel der rechtbank een reden van openbaar belang niet aanwezig, dan zal de vordering van het O. M. worden afgewezen. Het spreekt van zelf, dat naast zulk een reden ook de toestand moet bestaan dat de schuldenaar met betalen heeft opgehouden.

De faillietverklaring wordt uitgesproken, indien summierlijk blijkt van het bestaan van meergenoemde feiten of omstandigheden, en zoo een schuldeischer het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van dezen; art. 6 lid 2.

Summierlijk blijkt; dit wil zeggen dat volledig bewijs door wettige bewijsmiddelen hier niet noodig is, dat de rechter niet gebonden is aan de bewijsregelen vervat in het 4e Boek van het B. W. en elders. In de beoordeeling van alles wat bij de behandeling der aanvrage te

i) In 1917 werden in het geheele Rijk uitgesproken 634 faillissementen op aanvrage van schuldeischers en 255 op eigen aangifte. In 1918 waren deze cijfers 674 en 277, in 1919, 903 en 187. — In 1917 en 1919 werden op vordering van het Openbaar Ministerie telkens twee faillissementen uitgesproken, in 1918 was dit slechts één keer het geval.

I 2) Een gemachtigde kan het namens hem aanvragen. De bewindvoerder over reen afwezige is tot het aanvragen van diens faillissement niet bevoegd; vgl. de beschikkingen der rb. te Rotterdam en van het Hof te 's-Gravenhage, onderscheidenlijk van 24 Aug. 1910 en 5 Sept. 1910, beide in W. 9075.

3) Zie hierboven noot 1.

4) Vgl. het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 19 Nov. 1896 W. 6901.

Sluiten