Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ALGEN.

420

de cellen of celdraden tot kolomen aaneengevoegd door een geleiachtige massa, die ontstaat door opzwelling van de buitenste celwandlagen. Sommige kunnen zeer goed tegen uitdrogen, om mj bevochtiging weer op te leven Andere vormen, om in ongunstige omstandigheden te kunnen Wijven leven, sporen door vergrooting van bepaalde cellen, onder verdikking van. den wand, terwijl de overige cellen sterven. Bij Oscülanasoorten (Pl. II, fig. 2) vallen de uit geliikvorTge cellen bestaande'draden in korte stukjes, hofmogoniën, uiteen, die weer tot nieuwe draden uitgroeien. Bij andere draadvormige, bnv. ZtoJoorten (Pl. II, fig. 3), hebben sommige cellen die men grenscellen, heterocysten, noemt, maar welker beteekenis onbekend is, een veranderden inhoud. _,

2 D i a t o m e e ë n, Eiezelwieren. Een zeer talrijke, vormenrijke klasse van meestal bruingeel gekleurde, microscopische, ééncellige algen, die dikwijls in een groot aantal individuen, zoowel m zee, als in zoet water en op vochtigen bodem voorkomen. Elke cel heeft een duidelijke celkern en meestal een of twee groote, maar soms talrijke kleinere, bruingele kleursto lichamen, die behalve bladgroen, ook een bruine _ kleurstof, diatomine, bevatten. In den eelwand is een fae-

. . , . ' :„ j„4- „i+ +WBP eenigszins on-

zelsKeiet aanwezig, ■"-,-rv .

gelijke schalen bestaat, die als deksel en doos elkander met de randen omsluiten. Bn gloeien van de cel blijft het kiezelskelet met behoud van

alle onellenneaen van ue ujjjj^"~„ Tengevolge van deze zeer fijne sculptuur kun^ Hiiv Pleumsiama anqula-

lum (Pl II, fig- 4). als „testobject" dienst doen, om de deugdelijkheid van microscoop-objectieven te onderzoeken. . . „,

Sommige zoetwatersoorten leven in kolomen bijeen, die door geleiachtige, soms vertakte stelen zijn samengevoegd. Andere zrjn in staat, met behulp van buiten de schaal uitstekend protoplasma, zich over de oppervlakte van in het; water aanwezige voorwerpen, of ook wel vrij door het water voort te bewegen. Van de in zee levende

soorten znn vele noogsx ueiangiy». ~~aandeel in de. samenstelling van het plankton (zie aldaar), d.z. de in zee zwevende organismen, die o.a. aan talrijke visschen tot voedsel strekken. Deze plankton-diatomeeën zijn, geluk vele andere plankton-organismen, met allerlei drijf- en zweefinrichtingen voorzien, als horenachtige uitsteeksels of vliezige vleugels, die hen soms op gevleugelde zaden doen gelijken.

Vele Diatomeeën komen vooral voor op plaatsen, waar rottende stoffen rijkebjk voorhanden zijn. Zulke soorten kunnen een min of meer saprophytisch leven leiden; daarbn ontkleuren en degenereeren hun klemstofhchamen. Eenige (kleurlooze) in zee levende soorten van net geslacht Nitxsehia voeden zich zelfs uitslmtend saprophytisch. , .

TJe voortplanting der Diatomeeën geschiedt alleen ongeslachtelijk, door overlangsdeeling, altrjd in dezelfde richting, zoodat elke helft een van de beide schalen behoudt, waaraan zich dan een tweede kleinere toevoegt. Daar de schalen niet kunnen groeien, ontstaan er steeds kleiner ïndividuën, tot een zeker minimum bereikt is. Dan

— u Aaar Mmtinn van miTnsnnrp.n" de oor¬

spronkelijke grootte weer hersteld. De auxospo-

ren worden op verscnmenoe wyie geïuiwu, verscheidene soorten gaat het gepaard met copulatie van den inhoud van twee moedercellen

(PI. 11, ng. ï). sommige sooneu vuiiucu uu». «,cr<,r.rl>» cnnron door samentrekking van den

celinhoud, die zich dan met een harden wand

omgeeft.

T?n«°;<,io L-i'a*ale<>hai0T, van Diatomeeën vormen

in hoofdzaak het in de techniek, bijv. bij dyna-

mietlabrikatie, geDruiKte „uergmeei ui „uuu-

soriënaarde . zie ook Aaraen, neiou,™.

3. Peridineeën, eveneens microscopisch, eencellig, meest in zee levend en met de Diatomeeën een belangrijk bestanddeel van het plankton uitmakend. Zij zijn geel gekleurd, met een celiulose-wand omgeven. Aan één zjjde dragen zij ■ twee uit protoplasma bestaande „zweepaanhangsels", die in twee elkaar rechthoekig krui¬

sende groeven gelego Kunnen worueu. m« komen, evenals bij de Diatomeeën, kleurlooze vormen voor, die zich sapropkytiteh, of zelfs op de wijze der dieren voeden. De kleurlooze, naakte zoetwatersoort, Qymnodinium hyalinum, kan haar zweepaanhangsels intrekken en, evenals de myxomyceten of Slijmxwammen (zie aldaar), als amoebe, kleine algencellen in zich opnemen en verteren. Vermeerdering door deeling.

4. Conjugaten, klasse van groene zoetwaterwieren, die zich van de overige groene wieren onderscheiden, zoowel door hun eigenaardige geslachtelijke voortplanting, bestaande in eonjugai:, A ï „amonvlnnion van de nrotoülasten van

twee gelijke cellen tot een xygospore, als door hun zeer samengestelde groene kleuTstofliehamen. Zij zijn óf ééncellig, óf ze vormen eenvoudige draadvormige celrijen.

De ééncellige soorten vormen de familie D e smidiaceeën, die zich evenals de Diatomeeën door grooten rijkdom aan meerendeels zeer sierlijke vórmen onderscheiden (Pl. II, fig. 8). Elk .» +TOoo ovmmptHsfhe helften, die in

den regel gescheiden zqn door een insnoering

op de plaats waar in nei imuuwi uc wnciu *■>• gelegen. Eenige Desmidiaceeën voeren heliotac-

tische bewegingen uit, aoor zien iuhu ue uitulende lichtstralen te richten, met behulp van protoplasmadraden, die zij uit openingetjes in den celwand uitsteken.

De draadvormige Conjugaten vormen de familie Zygnemaceeën, met het bekende geslacht Spirogyra (Pl. II, fig. 9) met spiraalsgewijs gewonden lintvormige kleurstoflichamen in de cyhndervormige ceUen. AUe ceUen kunnen zich verlengen en deelen en zoo den celdraad doen groeien. In het geslacht Zygnema bevat iedere cel twee stervormige kleurstoflichamen.

5. Chlorophyceeën, groene wieren. Algenklasse, waartoe aUe wieren behooren met r,i«r,«,+nfi;/.>,aTr,on Ttwt uitzondering van

de Conjugaten (zie boven), en van de Charaeeeën of Kranswieren (zie beneden), met een veel hooger ontwikkeld thallus en een veel meer samengestelden bouw van de geslachtsorganen, welke steeds met een omhulsel van steriele cellen omgeven zijn.

Er worden toe gerekend de orden: Proto-

Sluiten