Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

458

ALPEN.

Sihlgroep (Glarnisch 2916 m.), welke tusschen het Vierwaldstattermeer en het Linthdal is gelegen en waarvan het W. gedeelte met den Rigi (1800 m.) ook wel Schwyzer Alpen genoemd wordt, en de Santisgroep tusschen het Walen- en Bodenmeer. De hoogste top in deze groep, welke ook bekend staat onder de namen van AppenzeUer of St. GaUer Alpen, is de Santis (2504 m.).

Hl. De Fransche Kalk-Alpen worden verdeeld in:

12. De Provence-Alpen, van de kust in het Z.O. tot de Durance in het N.W. In het Z. ligt de Castellanegroep (Montagne de Cordoeil 2117 m.) en in het N. de Sassegroep (Blayun 2121 m.).

13. De Dróme-Alpen, van de Durance tot de Dróme en den Col de Menée. Het Z. gedeelte wordt ingenomen door van O. naar W. gerichte ketens (Mont Yentoux 1912 m.) in het N. ligt de Devoluy-groep met den Óhiow (2793 m.) en den Mont Aurouze (2712 m.).

14. De Jura-Alpen strekken zich noordwaarts uit tot de Arve. Zij vertoonen een zelfde orografisch karakter als de Zwitsersche Jura: hooggelegen dalen tusschen evenwijdige, herhaaldelijk door rivieren doorbroken meridiaanketens. Van het Z. naar het N. gaande, treft men de volgende toppen aan: de Grand Veymont (2346 m.), de Grande MoucheroUe (2289 m.), de Pic de Chamechaude (2087 m.), de Pointe d' Arcalin (2223 m.) en de Pointe Percée (2752 m.).

15. De Chablais-Alpen, tusschen de Arve, het meer van Genève en de Rhóne; zij bestaan uit concentrische bergketens met daartusschen gelegen hoogvlakten. De hoogste top is de Tête a TAne (2793 m.).

De Oost-Alpen. Tusschen de Gneis-Alpen en de noordelijke Kalk-Alpen ligt in de Oost-Alpen een smalle strook van palaeozoïsche leigesteenten (Schiefer), die in Grauwbunderland, Salzburg en Stiermarken een orografisch geheel vormen. In de Oost-Alpen kunnen derhalve vier soorten van bergketens onderscheiden worden: de G n e i s-A lpen, de Schiefe r-A 1 p e n, de No ordelijke- en de Zuidelijke KalkAlpen.

I. Tot de Oneis-Alpen behooren:

1. De Adula-Alpen, tusschen den Voor-Rijn (N.), het Lago Maggiore, Lugano- en Comomeer (Z.), den Greinapas (W.) en den Splügenpas (O.). De hoogste toppen zijn de Rheinwaldhorn (3398 m.) en de Tambohorn (3376 m.). De gletschers zijn van weinig beteekenis.

2. De Rhaetisehe Alpen strekken zich uit van den Splügenpas in het W. tot den weg over den Brennerpas in het O. en van het dal der Adda en het Idromeer in het Z. tot den Arlbergpas en de Inn in het N. Geologisch en orografisch worden zij in drie berglandschappen verdeeld. Het noordelijkste bestaat uit de O b e rhalhsteiner of Albul a-A lpen (Z.W.) en de Silvrett a-A lpen (N.O.). In de eerste verheffen zich de Pizzo Stella (3406 m.), de Piz de Calderas (3398 m.) en de Piz d' Err (3381 m.); is de laatste de Piz Vresch (3422 m.), de «z Xinard (3414 m.) en de Muttler (3298 m.). Het middelste gedeelte der Rhaetisehe Al¬

pen omvat de B e r n i n a-, S p 51- en O e t z t a1 e r-A lpen. Eerstgenoemde bestaan uit den Disgraziastock in het W. (Monte della Disgrazia 8677 m.), den Berninastock in het O. met de hoogste toppen der Oost-Alpen (Piz Bernina 4052 m.) en den Scalinostock (Pizzo Scalino 3328 m.) in het Z.O. De S p 51-A1 p e n bestaan uit op zieh zelf staande gebergten en zijn daarom gemakkelijk te passeeren; een der bekendste passen is de Ofenpas (2155 m.). Zij worden weder verdeeld in Iavigno-Alpen in het W. (Cimade Piazi 3439 m.) en de Münstertaler Alpen (Piz Seesvenna 3221 m.). De Oetztaler Alpen omvatten de eigenlijke Oetztaler- of Venter-Alpen in het W. (Wildspitze 3774 m., Weisskugel 3746 m.) en de Stubaier Alpen in het O. (Zuckerhütl 3511 m.). Beide groepen zijn met machtige gletschers bedekt. Het zuidelijke bergland der Rhaetisehe Alpen bestaat uit de Adamello-, de Ortler- en de P e n s e r:A 1 p e n. De ketens hebben een richting van Z.W. naar N.O. De beide eerste zjjn sterk vergletscherd en dragen hooge bergtoppen, zooals de AdameUo (3554 m.) en de Ortler (3902 m.). De Penser-Alpen reiken niet tot in het gebied der eeuwige sneeuw; zij liggen benoorden het Etschdal en bestaan voornamelijk uit leigesteenten. De hoogste top is de Hirzer (2785 m.).

3. De Tauern beginnen ten oosten van den Brennerpas en bestaan uit de twee groote afdeelingen: de H o o g e- en de L a g e T a u e r n, welke gescheiden worden door een lijn, getrokken van de kniebocht der Mur over den Murtörl naar het dal van de Grossari. De Hooge Tauern bestaat uit een oostwaarts gerichte hoofdketen, van welke naar het noorden en zuiden kleinere ketens uitgaan; zij bestaan hoofdzakelijk uit gneis. De hoofdketen omvat de volgende afdeelingen: de Zillertaler Alpen (Hochfeiler 3523 m.) met diep ingesneden dalen, een betrekkelijk hoogen kam en veel gletschers;_ de Venediger-groep met den Grossvenediger (3660 m.); de Glockne r-g roep met den Grossglockner (8798 m.); de Goldberggroep met den Hochnarr (3258 m.); en de A n k o g e 1-g r o e p, welke nagenoeg loodrecht staat op de hoofdrichting, sterk vergletscherd is en zich in de Hochalmspitze tot 3355 m. en in den Alkogel tot 3263 m. verheft.

Ten zuiden van de hoofdketen liggen het Pfundersergebergte (Wilde Kreuzspitze 3135 m.), de Rieserfernergroep (Hochgaü 3440 m.), het Villgrater- of Deffereggengebergte (Weisse Spitze 2962 m.), de Röthgroep (Röthspitze 3496 m.), de Schobergroep (Roter Knopf 3296 m.) en de Sadnig-Kreuzeck-gro.ep (Polenik 2780 m.).

De Lage Tauern strekken zich van den Murtorl in het westen tusschen Enns en Mur in oostelijke richting uit tot de dalen van de Liesihg en de Palten. Zij vormen de veel lagere, nergens tot boven de sneeuwgrens reikende voortzetting der Hooge Tauern, bestaan grootendeels nit glimmerlei en slechts op enkele plaatsen uit gneis. Vier afdeelingen vallen hier te onderscheiden, nl.: de Radstadter Tauern (Weisseck 2709 m.), de SchladmingerAl-

Sluiten