is toegevoegd aan uw favorieten.

Beknopte encyclopædie van Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CHERIBON—CHINEEZEN.

105

schap Koeningan zie op dien naam.

CHERIBON. Hoofdpl. van gelijkn. gewest, afd. regentschap en distr. Gelegen aan het Noorderstrand van Java, heeft deze plaats een door het beloop der kust in den W. moesson veilige open reede. De plaats zelve is zeer oud en vertoont in een gedeelte van haar bouworde — nauwe en onregelmatige wegen, en morsige, bekrompen Europeesche, Ohineesche en Arabische wijken — daarvan de duidelijkste sporen; zij is dan ook zeer ongezond. De ongezondheid van de plaats is ook oorzaak, dat het residentiehuis gebouwd is op 3 K.M. afstands beN. de stad, nabg de desa Tangkil; men heeft vandaar een praohtig uitzicht op den Tjërimai; het is door een prachtige tamarindelaan met de zee verbonden.

In de op 4 K.M. ten N. van de hoofdplaats gelegene desa Astana vindt men op een kleinen heuvel vlak aan het strand de beroemde Goenoeng Djati (zie aldaar), het graf van Cheribon's stichter, Sjeikh Ibn Maulana.

De afstammelingen der oude Sultans van Cheribon, de Sultan SSpoeh en de Sultan Anom, hebben ieder hun afzonderlijken kraton, waarvan die van eerstgenoemde de voornaamste is; de andere is kleiner maar op dezelfde wijze ingericht; bij den eersten kraton behoort ook nog een kunstmatig grotwerk, „Soenjaragé" genaamd, wat een liefhebberij van bijna alle Indische vorsten schijnt te zgn.

De belangrijke uitvoer van suiker en thee en de aanwezigheid van een groot aantal Ohineezen, Arabieren en andere vreemde Oosterlingen, die zich hoofdzakelijk met den handel en kleine industrieën bezig houden, geven aan de hoofdplaats een levendig en na dein de latere jaren aangebrachte verbeteringen en verfraaiingen, een welvarend aanzien.

Bij de laatste volkstelling (einde 1005) telde zij 23.500 inwoners, waaronder 500 Europeanen, 3100 Chineezen, 1100 Arabieren en 100 andere vreemde Oosterlingen.Zie voorde spoor-en tramwegverbindingen onder CHERIBON gewest

CHINEESCHE ZAKEN (AMBTENAAB VOOR). De betrekking van „tolk voorde Ohineesche taal" werd ingesteld in 1860, in welk jaar voor het eerst •enige Europeesche ambtenaren met dien titel in dienst werden gesteld. In 1863 kwam een Instructie tot stand, waarbij hun werkkring werd omschreven.

Het resultaat van de instructie van 1863 was niet gunstig. Wjjl de tolken niet als adviseurs werden beschouwd, kwam het slechts bij uitzondering voor, dat zij door het bestuur werden geraadpleegd. Deze onbevredigende toestand leidde ten slotte in 1895 tot het Koninklijk besluit in Ind. Stb. no. 135 (gewijzigd bij lhd. Stb. 1900, no. 476 en 1912 no. 245), waarbij de werkkring, de formatie, de titulatuur, de opleiding en de inkomsten van de „ambtenaren voor Ohineesche Zaken", zooals de tolken in den vervolge zouden worden genoemd, organiek zgn geregeld.

Hoewel hierbij het karakter -van adviseur op den voorgrond is geplaatst en dat van tolk en translateur weer naar achteren werd geschoven, heeft ook deze regeling niet voldaan. Een betere •n vooral meer stelselmatige behandeling der Ohineesche aangelegenheden wordt — vooral ook in verband met de in de laatste jaren meer en meer tot uiting gekomen sociale en politieke strevingen onder de Chineesehn hevnlkincairrnon in

Indië — verwacht van een te Batavia te vestigen „kantoor voor Chineesche Zaken", als een centraal punt van voorlichting dat het geheel kan overzien, staande onder het Departement van Binnenlandsch Bestuur en bestaande uit een adviseur, tevens hoofd van den dienst, ambtenaren voor Chineesche Zaken volgens een telken jare bij de begrooting te regelen aantal en het noodige kantoor- en verder ondergeschikt personeel. Tot zoodanige organisatie is overgegaan bg het Reglement, vastgesteld bij Ind. Stb. 1916, no. 377, nadat de eerste drie artikelen van het meergenoemd besluit van 1895 waren ingetrokken. De werkkring van het kantoor zal omvatten in den ruimsten zin alle aangelegenheden, welke de Ohineezen in N.I. betreffen of waarbij dezen betrokken zgn. Het ligt in de bedoeling nieuwe opleidingsregelen voor de ambtenaren voor Chineesche zaken in het leven te roepen.

CHINEESCHE ZEE. Het Z.lijk gedeelte der eigenlijke Chineesche zee, tussohen Malaka en den Riouw- en Lingga-archipel, Banka en Billiton met omliggende eilanden en Borneo, staat door straat Banka, de Gasparstraten en straat Karfmata in verbinding met de Java-zee. Zie ZEE.

CHINEEZEN. Onder dezen naam verstaat men in onze koloniën zoowel de volbloed Ohineezen, in China geboren, die als emigranten in Ned. Indië zijn gekomen, als de in Ned. Indië geboren, al dan niet met inlandsch bloed vermengde afstammelingen daarvan. De eersten worden gewoonlijk „sin-hh'ehs" (lett. „nieuwe gasten") meestal geschreven „einkeht", de tweeden „piranahans" genoemd.

Op Java zgn de „përanakans" verreweg het talrijkste, op de Buitenbezittingen de „sin-kh'eha. Hoewel het in de laatste jaren wel iets veelvuldiger is voorgekomen, verlaten de Chineesche vrouwen der naar Indië komende emigranten zelden China, en de „përanakans", op zeer weinige uitzonderingen na, zgn dan ook geboren óf uit zuiver inlandsche vrouwen, óf, veel vaker, uit vrouwen van gemengd Chineesch en Inlandsch.bloed. De „sin-kh'eh" is over het algemeen fysiek krachtiger dan de „përanakan".

De hoofdaanleiding tot de emigratie is geweest, en is ook nog steeds, de in China heerschende armoede, die samenhing met de onveiligheid aldaar van kapitaalbezit, en ook met de daarmede in verband staande onmogelijkheid om op eenigszins uitgebreiden voet ondernemingen van industrieelen aard te exploiteeren. Het aanbod van werk overtreft in hooge mate de vraag, zoodat de arbeidsloonen zeer Laag zijn. De emigranten, naar Ned. Indië trekkend, behooren uit den aard der zaak tot de paupers der allerlaagste klassen.

Verreweg het grootste deel der „përanakans" op Java bestaat uit Fuhkien-(Hokkien)-Chineezen, en ook in den Riouw-Lingga archipel en de meeste handelsplaatsen van beteekenis op de Buitenbezittingen zijn zij grooter in aantal dan hun rasgenooten uit andere streken van China. — Onderdeze laatsten zgn het voornaamste element de Hakka's of „Kh'ehs", hoofdzakelijk afkomstig uit het departement Kia Ving, in 't N. der Canton-provincies, maar ook uit de N.lijk daaraan grenzende departementen Ting Ohow en Loeng Ven, die echter tot het Z.W.lijk deel der Fuhkien provincie behooren. De Hakka's emigreeren vooral naar de Westerafdeeling van Borneo, naar Deli, Banka en Billiton. In de laatste