is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjehsche guerilla schetsen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

91

ontvlucht was en zich nu weder in zijn landstreek, ter Westkust van Atjeh, ophield. Al dien tijd had zij sedert in het bivak als gevangene doorgebracht. Haar door het schot gewond been was spoedig door den dokter genezen, maar of zij hem er ooit dankbaar voor is geweest, heeft nooit één glimlach van hare kleine, gesloten mond verraden. Twee maal daags kwam zij uit haar donker kamertje 's morgens om toilet te maken aan de rivier en 's middags voor hetzelfde doel en om zich een oogenblik te vertreden.

Met den met een klewang gewapenden soldaat achter zich was het alsof eene vorstin zich daar met haar slaaf voortbewoog, de oogen, onafgewend voorwaarts gericht, verwaardigden zich niet een voorbijganger met een blik aan te zien, het bovenlijf in het al schameler wordende zwarte bovenkleed, fier rechtop, in eenigszins wiegende beweging overgaande in de onoogelijke, oude, zwarte, Atjehsche vrouwenbroek, die wijd en slobberig de fijn gevormde beenen omgaf.

Geen enkel sieraad was haar bij hare overhaaste vlucht uit het eenzame ladanghuisje gebleven. Of zij ze er ooit gehad heeft of dat ze reeds bij het begin van haar zwerversleven waren achtergelaten, geen enkel woord van haar heeft ooit daarop gezinspeeld, geen blik in een spiegel heeft* haar ooit het gemis kunnen verraden, waar zij toch gewend moet zijn geweest, zich met de duurste kostbaarheden te tooien. Het ravenzwarte haar, dat buiten slechts voor den allernoodzakelijkst korten tijd werd losgemaakt en