Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

469

en flitsen op alle kooien en traliën, langs de muren. Klanten, die inkwamen om Frans te raadplegen, liet hij staan wachten tot Leerlap weer uit den schaduwduisteren kelder opdook. Want zin tot praten had Manus niet. Hij onderging hier een allervreemdste gewaarwording. Hier, midden in het hart van den Jordaan, vlak bij de Willemstraat, zat hij nu zoo maar te droomen tusschen een wereld van vreemde vliegers en zonnestraalvogeltjes uit alle oorden van den aardbol. Het was compleet een wonder, een wonder! Dan zag hij plots het reinste blauw van een zomer-hemel, dan weer een sidderende vlam oranje, vlak onder goudgeel dat donkere glanzen splinterend ving op een staartje dat zelf weer, als trillend paarlmoer en metalig groenviolet, te gloeien wipte in de zon. En hoe heerlijk-gezellig vond Manus dat argelooze, bedrijvige leven, dat zingen en kwinkeleeren onder al die vlerk-ruischertjes. Zelfs het schelle lachgekrijsch van de papegaaien achter de toonbank, klonk er gelijk een schreeuwende menschenpret doorheen. Als in stoeische kinderlijkheid deden ze elkaar de wreedste dingen, maar zoo natuurlijk en zoo eenvoudig, alsof het alles goed was. Dit bekoorlijke groenkopje, met het violetblauwe borstje, snavelstootte op zijn hevigst naar een purperspreeuw. Wat wou dat twistzoekertje? Allerlei trippelaars en huppelaars bemoeiden er zich kijvend mee. Het werd een roffelend fluiten en een sjirpen en nooddruftig kwetteren. Manus begreep niets van al die drift en al die ontstelling. Ze gapten elkaar insecten en wormpjes af, met verbluffende behendigheid. Enkele leken lijdzaam en duldend; andere, met razende heftigheid, plukten elkaar de veeren den kop uit. Vooral één goudsijsje havende zijn zwarte kopje. En toch bleven ze altijd aanvallig en mooi in hun fladderen, springen, huppelen en vechten.

Telkens als Frans Leerlap van het beneden-asyl terugkwam en er stond geen volk, dan lichtte hij Manus in over alles wat bij hem vroeg van dit (herenleventje. Tot zijn verbazing merkte Manus, dat Frans Leerlap eigenlijk niet veel deernis voelde met hun gevangenschap. Frans antwoordde aarzelend: Ja, gut,

Sluiten