Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CASTOR EN POLLUX

473

daden enhetstout-romantischeavontuurhunner tochten. Ook zag hij altijd de fier-geheven, mensch-schrandere kopsnoeten der rossen Cyllaros en Xanthos vlak nevenseen, en bij hetzonnezinkenhunademrook goudachtig-verlicht dampen uit de wijdgesperde, trillende neusgaten. Wél zag hij hun pezen beven, de spieren en fijngetakte nerven van pooten en halzen snoerend strakken en aanzwellen onder de blanke, sidderende huid,... maar waarom hoorde hij niet hun stampende hoeven die aardstof deden op wolken, toen de vlugge en bedwelmende Helena de juweelen stal van Menelaos' huis ? Waarom ontrukten Castor en Pollux zich driest aan den teederen droom hunner liefderomance, toen de majestatische Theseus, de bloedstorter, door de leen-heerlijkheid der Attische steden en den Peloponnesus omzwervend, Helena wegsleurde uit den Art emis-t empel ? En waarom wierden zij niét gelokt van hun onbestendige dolingen door de onbekende eeuwigheid, toen Alexandros aan den schreeuwerigen drang zijner zinnen voldeed? O, de Dioscuren, de eerzuchtige, droomwakende heldenzonen van Leda, die soms plots tesaam hunne schimmels verheten en op knetterende wieken, als van zilverig vuur dat bij donder en storm kronkelend en vreemd zich om masten en tuig van de schepen heenslingert, de zeeheden in nood te hulp scho-

Sluiten