Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CASTOR EN POLLUX

475

Aphrodite, hoe tuchteloos zij zich de lendenen wrong voor hunnen ontstelden blik. Zij zou hen den klaren sterrenglans op de helmen blusschen, den geest vernielen en de slanke gestalten verkrommen. Gelijk een brandend rad dat hoog tegen de lucht wentelt in zijne eigene vlammen, zoo waren deze jonge helden zelf met het vuur dat zij doo ven moesten, gaan spelen. Ook zij schaakten en roofden krijgszuchtig en woest, de vrouwen die zij naar faam begeerden en minden. Zoo pronkten de bewakers van het recht de heerlijkheid der zonde óp tot een misdaad, verheven en schoon.

Onder den krijgszuchtigen stand der hoogste edelen naar d oude zeden halfgod, want de allerdappersten, wiekend en ros-rennend, helpende waar zij konden, behoefden nochtans de tweelingbroeders voor éigen zalig avontuur, bij het rooven hunner jonkvrouwen, den bijstand van Aphrodite; behoefden zij de genotspijn van haar verdwalenden glimlach en moesten zij lichtelijk met de toppen roeren haar goudgestikten wondergordel. Zij ving voor hen óp, de ruischende en na-ijlende muziek der Elysische velden eêr Zeus de ridders op den Olympostop had gezeteld. Zoo stond de aanvallige verderfbrengster en zoete drilster niet alleen achter Helena, maar ook naast den hengstenbedwinger en machtigen wagenmenner

Sluiten