Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

APHRODITE PANDEMOS

489

ten aan den trans waar zij zweefde, noch de bleeke geestverschijningen in haar sidderende liefdenachten ? Kon hij, Aziaat, de mystieke allegorie en godsspraak van Delphoy, duizelend-diepzinnig en onaanschouwelijk, doch bovenal de orphische muziek der wijzen, in haar teedre verborgenheid, haar geheime en heilig-schuifelende klanken, met zuiverder en fijner oor beluisteren dan de Hellenen zelf? Misschien wel, omdat hij een koning en een Iraniër was, een Oosterling die den drang naar de onthulling van het allerhoogste vervoerend in de naakte ziel voelde branden, en de spokende verschrikkingen van den alle levensgeluk bedreigenden dood wilde tarten met de ingewijde kennis van zijn eigen gods-oorsprong. Misschien ook, omdat de Hellenen het ontzondigende en vrome gericht eener bedonkerde mantiek, — verheven ingeving van Abraxas, de opperste goddelijkheid der gnostische Perzen, — van zijn land en van Aegypte als geestelijken barbarenbuit, onbegrepen hadden weggeroofd. Misschien ook, omdat de Oostersche begeerte naar het zién van het Onzichtbare, het smachtende oerverlangen naar het doorgronden van het Volkomene, met tragischer en verinnerlijkter bewustzijn de dolende menschen deed rondzwerven in de zoete omgeving van den mythischen zanger Orpheus. Daarom ook zag Xerxes de

Sluiten