Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en van haar toepassingen.

453

het organisme ten gevolge hebben (vgl. p. 429); maar dit is eigenlijk geen vorm van steriliteit. Wel kan een op zeer jongen leeftijd afsterven van de door bevruchting gevormde individuën in het vruchtbeginsel of in den uterus een onvruchtbaarheid van het moederdier voorwenden, maar deze vorm is niet de typische steriliteit, zooals we die zoo vaak aantreffen, vooral bij individuën wier ouders in genotypischen aanleg groote verschillen vertoonen. Afsterven van jonge organismen in het moederlichaam kan het gevolg zijn van homozygotie der lethale factoren; degenereeren van stuifmeelkorrels en van eicellen nog vóór dat deze hun eindstadium bereikt hebben en dus lang voordat van eenige bevruchting sprake kan zijn, is het typische verschijnsel voor een werkelijk steriel organisme; en de oorzaak van die degeneratie der voortplantingscellen, van die gametensteriliteit te zoeken, ziedaar ook een belangrijk probleem der erfelijkheidsleer. Hybriden tusschen genotypisch sterk uiteenloopende organismen kunnen vaak een volkomen normaal uiterlijk hebben; bij onderzoek blijken echter hun geslachtsorganen in hooge mate storingen in hun ontwikkeling te toonen. Verschillende onderzoekers hebben zich met het steriliteitsvraagstuk beziggehouden, hetzij met dieren, hetzij met planten; dit onderzoek werd door de meesten cytologisch ondernomen, door een enkele werd getracht experimenteel een genotypische analyse van de steriliteitsverschijnselen door te voeren.

Degenen, die cytologisch onderzoek aan steriele hybriden hebben verricht, zijn daarbij meestal op groote moeilijkheden gestooten: de verschijnselen waren zoo verwarrend en in de verschillende gevallen zóó uiteenloopend, dat een poging van Poll (1911) om een goede indeeling der onderzochte gevallen te verkrijgen naarmate (het ontwikkelingsmoment, waarop de onvruchtbaarheid begint merkbaar te worden, vroeger of later ligt) door Kuiper (1920) alswaarde-

Sluiten