Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OPDRACHT AAN SCHEIDSMANNEN.

469

geleden verliezen, maar dat overigens geen bepaling was gemaakt omtrent het aandeel waartoe elk der vennooten in de zaken der vennootschap gerechtigd zou zijn ;

dat bij akte van den tweeden December negentienhonderd twintig de vennootschap is ontbonden, waarna tot vereffening is overgegaan;

dat thans, nu alle baten verkocht en alle schulden afbetaald zijn, een zuiver saldo overgebleven is van vierentwintig duizend gulden, welke gelden met onderling goedvinden zijn gedeponeerd bij de Rotterdamsche Bankvereeniging, kantoor 's-Gravenhage;

dat er nu echter geschil is ontstaan over het aandeel waartoe elk der gewezen vennooten tot dat bedrag van vier en twintig duizend gulden gerechtigd is 3) ;

dat de comparant onder 1 °. genoemd meent, dat hij voor twee derde gedeelten of zestien duizend gulden in gemeld gedeponeerd bedrag is gerechtigd, omdat bij het aangaan der vennootschap zijn inbreng in geld eveneens uitmaakte twee derde gedeelte van alle aanbrengsten in geld, zoodat hij voor gelijk gedeelte gerechtigd is in alle baten der maatschap, welke er na aftrek van schulden en uitgekeerde winst overblijven;

dat daartegenover de comparant onder 2°. genoemd meent, dat aan elk der vennooten toekomt het bedrag waarvoor ieder in de boeken is gecrediteerd, alsmede de helft in hét overschot, zoodat de firmant Seters recht heeft op tienduizend gulden en vierduizend vijfhonderd gulden, alzoo veertienduizend vijfhonderd gulden en hij zelf, de firmant Spinhoven, op negenduizend vijfhonderd gulden, en zulks op grond, dat elk recht heeft op een som gelijk aan zijn inbreng, terwijl het overschot niet anders is te beschouwen dan als gemaakte en opgelegde winst, welke volgens het vennootschapscontract bij helften moet worden gedeeld.

De comparanten onder lo. en 2o. genoemd verklaarden dit tusschen hen bestaande geschil 4) te willen onderwerpen aan

Sluiten