Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

484

hebben de scheidsmannen recht op loon?

indien aan een dezer eischen niet voldaan is. Van Bossem'(dl. II pag: 251 j° dl. I pag. 115) neemt aan dat een uitspraak, die niet aan art. 637 voldoet, nietig is, omdat de daar gestelde voorschriften essentiëele eischen zouden zgn. Echter wordt hierover ook anders gedacht; zoo oordeelde de Bechtbank te Rotterdam d.d. 13 Maart 1911 (W. v. h. E. no. 9183) dat een uitspraak niet ongeldig was, indien daaraan ontbraken de slotsom der beweringen van partgen en de vermelding van de plaats waar de beslissing gevallen was, op grond dat nergens — ook niet in art. 649 Bv. — nietigheid was bepaald en de bedoelde punten ook niet behoorden tot de essentialia. Van gelgke meening schijnt de Bechtbank te Amsterdam d.d. 25 Nov. 1918 (W. v. h. B. no. 10382).

De nietigheid, die volgens van Bossem het gevolg is van overtreding van art. 637, zal naar de meening van dezen schrgver gevorderd moeten worden in den vorm van verzet tegen de executie.

Aan Art. 637, 1° is voldaan indien de „ firma" van een der partgen is genoemd, volgens de Rechtb. te Amsterdam d.d. 17 Pebr. 1919 (W. v. h. R. no. 10348).

Indien bij het compromis niet anders is voorgeschreven, zal de beslissing ook uitspraak doen over het dragen dor kosten. Als regel zal den arbiters bg het aanvaarden van hun opdracht wel honorarium zgn toegekend. Hoe echter, indien dit niet mocht zgn gebeurd? De Pinto (dl. II pag. 775) meent dan in dat geval art. 1831 B. W. beslist dat geen loon gevorderd kan worden. Hij neemt dus aan dat de arbiters lasthebbers zgn, evenals het Hof te Amsterdam d.d. 19 Nov. 1897 (W. v. h. R. no. 7107); van Rossem (dl. II pag. 251) echter ontkent o.i. zeer terecht dat hier van een lastgeving sprake zou zijn, omdat de arbiters geenzins optreden in naam van de partgen; dus meent hij dat op de scheidslieden de bepalingen van lastgeving niet van toepassing zijn, maar dat op grond van art. 1375 B. W. zij aanspraak op loon kunnen maken. Deze meening schgnt ons juister dan die van de Pinto; zelfs komt bet ons voor dat de arbiters recht op loon hebben al nam men aan dat zij lasthebbers zijn. Immers1 ook voor het contract van lastgeving gelden de bepalingen van art. 1375 en 1383 B. W., zoodat, waar het gebruik meebrengt dat arbiters loon krijgen, dit gebruikelgk beding ook geacht wordt te zgn gemaakt in gevallen, waarin het niet uitdrukkelgk in de opdracht is opgenomen. Verg. het vonnis der Bechtbank te Utrecht d.d. 22 Maart 1911 (W. v. h. E. no. 9197, W. P. N. B. no. 2190, P. W. no. 10528) en dat der Eechtbank te Leeuwarden d.d 10 Mei 1842 (E. Bijbl. 1842 pag. 664).

Art. 689 Bv. bepaalt dat de scheidslieden binnen 8 dagen na de beslissing de minuut moeten deponeeren ter griffie van de rechtbank van het arrondissement, binnen hetwelk de beslissing is gevallen. Ook na dezen termgn zal het depot nog kunnen plaats hebben; de termijn is niet fataal,

Sluiten