Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bevelschrift van den president.

485

maar geeft partg'en het recht, om na het verstreken daarvan, de arbiters te sommeeren en c. q. tot schadevergoeding aan te spreken. Aldus de vrgwel constante jurisprudentie, vermeld bij Nolen (pag. 128 e. v.).

Het depot is noodig teneinde den president in staat stellen, alvorens het bevelschrift van art. 642 te geven, zich te overtuigen of de uitspraak afkomstig is van de benoemde arbiters en of zg gegeven is tusschen de partgen die de benoeming gedaan hebben. Deze uitwendige vereischten staan ter beoordeeling van den president, niet echter de innerlgke appreciatie, b.v. of wel beslist is het punt dat ter beslechting aan de scheidslieden is opgedragen. In gelgken zin oordeelen van Kossem (pag. 252) en de Eechtbank te 's Hertogenbosch d.d. 3 Februari 1911 (W. v. h. K. no. 9175), welke overwoog: „dat wel dit exequatur (van art. 642) vrgwel een formaliteit is, doch de president, alvorens het te geven, zich toch behoort te „overtuigen, of de beslissing werkelgk van de benoemde arbiters afkomstig „is, a plus forte raison, of er wel arbiters benoemd zgn en hg* derhalve „bg bevinding van het tegendeel of onzekerheid daaromtrent het exequatur „moet weigeren."

Ook de Kechtbank spreekt dus van een formaliteit, evenals de Eegeering deed bij het tot stand komen der wet. Van Kossem (pag. 253) meent dan ook dat de president niet mag weigeren indien de uitspraak, als gewezen door een even aantal arbiters, aan nietigheid mocht lgden. Men vergelgke hierover nog de arresten van den Hoogen Kaad d.d. 18 Juni 1915 (W. v. h. K. no. 9866, Ned. Jur. 1915 pag. 901), het Hof te 'sHage d.d. 18 Januari 1915 (W. v. h. R. no. 9764) en dat te Amsterdam d.d. 22 Januari 1918 (W. v. h. E. no. 10207).

Van Eossem t. a. p. en de Eechtbank te Botterdam d.d. 15 Jnni 1908 (W. v. h. E. no. 8796)x nemen aan, dat — mede in verband met art. 431 Bv. — alleen van een Nederlandsche arbitrale uitspraak de uitvoerbaarverklaring kan plaats hebben; verg. pag. 496.

De Hooge Eaad neemt aan dat het exequatur van den president is een beschikking waartegen hooger beroep openstaat (arresten van 19 Oct. 1916, Ned. Jur. 1916 pag. 1170, 1 Maart 1918, W. v. h. E. no. 10255, en 31 Aug. 1918, W. v. h. B. no. 15310).

Van Boneval Faure (dl. I pag. 228) wgst er op, dat de scheidsmannen, die hun bevoegdheid ontkenen aan een opdracht van bijzondere personen, geen rechtsmacht hebben. Daarom kan niet alleen hunne uitspraak niet geëxecuteerd worden zonder de zooeven besproken tusschenkomst des rechters, maar is die tusschenkomst ook vereischt wanneer bij een door hen bevolen getuigenverhoor de getuige niet verschgnt of weigert den eed of verklaring af te leggen; zie art. 635 Bv. Voorts schrijft art. 633 voor dat de scheidsmannen naar den gewonen rechter moeten verwgzen indien een onderzoek moet plaats hebben naar de echtheid of onechtheid van geschrift, of indien er een tusschengeschil van lijfstraffelgken aard in de zaak voorkomt.

Sluiten