Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

508

aanbieding van een bedkag voob kosten.

8) Benevens een tien centstuk voor te vereffenen kosten.

Art. 1441, 3° vordert dat ook wordt aangeboden een som voor de kosten, die vereffend zjjn, en eene voor de kosten die nog niet vereffend zijn, onder voorbehoud van nadere vereffening.

De opvolging van dit voorschrift zal meest te pas komen in een rechtsgeding, waarvan de kosten reeds zjjn vereffend of nog moeten worden vereffend, maar het is duidelijk dat deze wetsbepaling van geen toepassing is waar nog geen kosten gemaakt zgn. Van deze meening was ook de Bechtbank te Winschoten, die bg vonnis van 11 April 1888 (W. v. h. B. no. 5606) overwoog: „dat, nu volstrekt niet gebleken of beweerd is, dat de „schuldeischer tot verhaal zgner inschuld proces- of executie-kosten zou . „hebben aangewend, er van een bestaande schuld ter zake van al of niet „geliquideerde kosten in casu geen sprake kan zgn, en het voorschrift „van art. 1441, 2° B. W. uit den aard der zaak toepassing kan vinden „slechts dan, wanneer er werkelgk kosten verschuldigd zgn." In gelgken zin oordeelde de Eechtbank te Alkmaar den 26 Mei 1898 (W. P. N.E. no. 1493).

Ook Opzoomee (dl. VII pag. 107 noot 5) meent dat „ernst en goede trouw moeten beslissen". Waar dus geen kosten gemaakt zgn, kunnen zg ook niet worden aangeboden. Het tiencentstuk, dat voor te vereffenen kosten wordt aangeboden kan in gevallen als deze voldoende worden geacht, daar de eenige kosten, die de schuldeischer bg aanneming van het aanbod nog moet maken, die van het plakzegel zgn, welke gedragen moeten worden door den schuldenaar, zoodat hg deze ook moet aanbieden 1). In den vorigen druk van dit werk was in de akte in plaats van de clausule „voor te vereffenen kosten" opgenomen „voor het- zegel der kwgting". Ons komt het voor dat eerstgemelde clausule de voorkeur verdient, omdat zg zich meer aansluit bg art. 1441, 3°.

Dat het bedrag gering is, doet niet ter zake. Bg tal van rechterlgke uitspraken, waarvan wg slechts noemen de arresten van den Hoogen Baad d.d. 8 December 1905 (W. v. h. E. no. 8310) en d.d. 20 Maart 1891 (Bechtsk. Blad no. 706) en een arrest van het Hof te 's Hage d.d. 10 Nov. 1904 (Maandbl.-Deurw. XX, 36), is beslist dat elk te dezer zake aangeboden bedrag, hoe gering ook, voldoende is; van gelgke meening is Diephuis (dl. X pag. 576).

1) Conform arrest van het Hof te 's-Gravenhage d.d. 24 November 1902 (W. v. h. B. no. 7872), vernietigd door den Hoogen Eaad bg arrest d.d. 12 Juni 1903 (W. v. h. E. no. .7934, W. P. N. R. no. 1763), o.a. op grond dat, indien de schuldenaar op het oogenblik van het aanbod geenerlei kosten had te voldoen, het aanbieden van kosten ook niet geacht kan worden door den wetgever te zgn opgelegd. Niettemin achten wg het aanbieden dezer kosten toch voorzichtigheidshalve aan te bevelen (verg. ook Willeumier pag. 108).

Sluiten