Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

inviel. Zes tafeltjes, gelijk van vorm, stonden tegen blauwwitte muurwanden, om elk tafeltje waren vier biezen stoelen geschaard ; 'n stralenflikkerende koperen aschbak stond op elke tafel. Met bestudeerde figuren, die ronde franje-matjes nabootsten, was om eiken stoel en tafelgroep, zand gestrooid. Boven de deur hoekte een zwart omlijst driekantje, met 'n goudstralend oog in hardblauw gevat, waaronder in groote letters:

„Gods oog ziet u Hier vloekt men niet."

Langs den muur hingen reclameplaten met fel gekleurde figuren tusschen verkoop-aankondigingen met reuzenletters er op; door tocht bewogen verwoeien ze zacht knitterend op en neer. Groote petroleumlamp met blikken overkapping hing onder 'n zwartgeblaakte balkenzoldgring. Voor lage raampjes stonden houten spijlhorren waar altijd bromvliegen tusschen zeurden.

Achter de zinkbeslagen toonbank stond Mariarineke: 'n gezonde deern met paarsroode wangen, weggetrokken, geelig haar, heel kleine vinnige oogjes en lippen van rauwe vleeschkleur.

„Kom Merianneke, kom Merianneke, kom?" riep Keeske en sloeg met z'n vlakke hand op tafel. „De borreltjes!"

„O, da mansvolk is toch nie tevree veur da ze den pruuf van den drank hebbe!" zei ze, dikke, gegoten borrelglaasjes op de toonbank plaatsend.

„En enne goèi!" riep de Geitenboer met z'n schorre, losse stem.

„En enne vól!" zei de Zuute in z'n handen wrijvend, 't oog naar de flesch.

„Kumt ze uit den kelder, Merianneke ?" snerpte Keeske, die niet zoo gauw tevreden bleek, want hij was „geenen boer".

4

Sluiten