is toegevoegd aan uw favorieten.

Brord en Hanne

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XI.

ALLERHEILIGEN was voorbij; 't ging tegen den winter. De boerderij lag nu vereenzaamd, afgezonderd, in diepe stilte verzonken, vaak gingen dagen heen dat geen mensch te zien was. 't Verkeer op 't veld was afg^loopen. In de ontbladerde beukenlaan hokkelde soms 'n witgehuifde vrachtkar waarvan de eentonige bellenklank verdoft tot hen doordrong. De kluiterige akkers lagen ontdaan, overweven met wat bruin gewirwar van dood onkruid, graskampen hadden 'n goorgroene kleur en de verre beemd stond onder water; daar scheerden witte kokmeeuwen gillend overheen en zwarte kraaien hielden zich op aan den schuimoverspuwden oever. Telkens klonk hun doordringend krijschgeschreeuw. 't Knollenveldje lag als 'n groene oaze midden in grauwe akkers. In 't bloemhofje op 't erf, stonden nog groezelig, vuile dahlia's als gewurgd, bengelend over krachtelooze stengels; hier en daar wat asters met ver uitgepuilde zaadharten, boven vies en verslapt loof; rozestruiken piekten hun doorntakken tusschen onkruid en vale bosjespalm.

't Hooi was vochtig" en muf binnengekomen zoodat men bang was voor broei: dagelijks ging Brord naar zolders en hooimijten, wrong er 'n stok, waaraan ie 'n spons bevestigd had, diep in, om op zijne manier temperatuur op te nemen. De rogge was voor 't grootste gedeelte verkocht met veel schade, boekweit was noodig voor heel den winter, kippenvoer. Aardappelen waren gaaf aan de markt gebracht, daarover viel niet te klagen. Snijboonen hadden door roest en sclümmel geleden, die hadden arbeids- en materiaalkosten lang niet opgebracht. Driemaal daags moest men nu toch te velde om knollengroen uit te rukken, te wasschen aan den brandput en te snijden in den grooten sopketel voor 't vee.

112