is toegevoegd aan uw favorieten.

Johannes Colerus en de groote twisten in de Nederlandsche Luthersche Kerk zijner dagen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

102

niet in hun voordeel zou werken. Ook vreesden zij waarschijnlijk aan de overheid bekend te maken, dat zij nog altijd rondliepen met plannen om zich af te scheiden en over de tusschenkomst van den Zweedschen koning hadden gesproken.

De burgemeesters gingen, als naar gewoonte, weder zeer voorzichtig te werk. Geen besluit wilden zij nemen, voordat zij ook de andere partij hadden gehoord, en vroegen den 20 October een schriftelijke beoordeeling over de stukken aan het consistorie, dat natuurlijk ten zeerste verrast was, toen het de afgegeven verklaring van Colerus, Vos en Van Born ondér de oogen kreeg. Al spoedig ontdekte het consistorie, hoe de vijfde vraag was verzwegen en men maakte hierop de burgemeesters attent. Nu moesten de malcontenten, door den nood gedwongen, ook met de antwoorden op deze laatste vraag voor den dag komen.

Het gevraagde, schriftelijke rapport, dat de kerkeraad den 23 Januari 1691 bij de regeering inleverde, schijnt niet van laster te zijn vrij geweest. De drie oudste predikanten, Colerus, Vos en Van Born, werden beschuldigd, de oorzaak van al de onlusten te zijn en het doel van hun streven zou een verhooging van traktement beoogen. Verder gaven de kerkeraadsleden hoog op van hun familiën, die reeds langer dan zestig of zeventig jaren in de stad hadden gewoond, terwijl men niet wist, vanwaar de doleerenden kwamen.

Beide partijen werden den 30 Januari op het stadhuis ontboden, waar de burgemeesters 1) hun den vrede aanbevolen. Over het ingezonden bericht van den kerkeraad was de magistraat blijkbaar verontwaardigd, want de burgemeesters verscheurden het voor aller oogen en wierpen het in het vuur 2). Evenmin waren zij goed over de doleerenden te spreken, die

1) Aanwezig waren de burgemeesters Johan de Vries, Johan Huydekoper en Johannes Hudde.

2) Een groote fout maakt K. A. Gonlag: Het doleerend Lutherdom, p. 76, waar hij meldt, dat het rekest der doleerenden verbrand zou zijn. Die mededeeling is in lijnrechten strijd met de bronnen, waaruit van een dergelijke verbranding niets blij kt. Integendeel berichten ons drie van de vier bronnen, dat het schriftehjk bericht van den Kerkeraad is verscheurd en verbrand, wat bovendien nog bevestigd wordt door een stuk, voorkomend onder de brieven in het arch. der Ev. Luth. kerk te Amst.