Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BALI EN LOMBOK

479

vervreemd, modern West-Europa. Blijkens hun taal zijn verscheiden dësa- en soebakreglementen heel oud. Tot adatregeling door losse bevolkingsgroepen is daarnaast geen aanleiding. Van de door en voor dorp of waterschap vastgestelde verordeningen (b.v. die op hanengevechten) zijn wel te onderscheiden niet alleen de vorstenedicten voor b.v. alle waterschappen in hun rijk (een algemeen soebakreglement dus, zooals Djembrana er een had), maar ook de door den vorst aan een bepaald dorp of waterschap verleende handvest tot waarborging van het eigenmeesterschap van het dorp; die drie worden echter alle dooreen awigawig, sima dësa, sima soebak genoemd. Het algemeen soebakreglement in de rijkjes van Zuid-Bali schijnt voor alle eensluidend te zijn geweest, zie een (nog niet ingeloste) belofte van publicatie in Tijdschrift Bataviaasch Genootschap 33, 1890, blz. 440. Gewone vorstenedicten heeten paswara of titiswara, indien zij tot het volk, radjamoedra indien zij tot vorstelijke verwanten of ambtenaren, padmamoedra indien zij tot priesters zijn gericht. De landsverordeningen van Lombok leeren op tal van plaatsen, dat de — niet altijd heilzame — invloed van ons voorbeeld reeds doordrong ook toen wij nog weinig bemoeienis met het zelfbestuur hadden. Onder onzen invloed zijn, blijkens de korte verslagen, de stedehouders verordeningen (op belastingen, heerendiensten, verplichte leveringen, justitie, hanenkloppen, enz.) van beteekenis geworden; doch ze blijven helaas ongepubliceerd.

Over bestuur, rechtspraak en regeling van het rijk Soembawa schijnt weinig bekend.

Adatvolkenrecht. Voorheen behoorde de ontvangst van gezanten uit andere rijkjes tot de taak van den hoofdsedahan. De Balische vorsten kenden zich het befaamde kliprecht toe, zijnde het recht om zich de op hun kust gestrande of vergane schepen met lading en bemanning toe te eigenen; zie Kleintjes, Staatsrecht I, 1911, blz. 75. Oorlogen tusschen dësa's waren talrijk vóór de inroeping van de vorstelijke scheidsheeren. Naar Balisch oorlogsrecht wordt de veroverde grond grondbezit van den veroveraar, die hem in hoofdzaak behoudt voor zich en zijn gunstelingen. In de vroegere oorlogjes was het een gewoon strijdmiddel, dat de beheerscher van een bergstreek door onttrekking of door overproductie van watertoevoer den landbouw in de vlakte bedierf. Neutrale strooken of tanah kwalonan („grond van niemand")

Sluiten