Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

492

HET ADATRECHT DER INLANDERS

in anderen zin dan op blz. 487 - pengajah-veld, sawah pengajah. Het recht is binnen enge grenzen vererfbaar, doch mag zelfs aan volksgenooten niet worden overgedragen, noch ook verpand (in Bangli mocht verpanding mits onder vorstelijke toestemming). Wordt een bewerkingsveld genaast (tjampoet), dan wordt het meestal ter bewerking afgestaan aan een buurt- of dorpsgenoot van den vroegeren bewerker. In 1901 werd voor Lombok bij gewestelijk besluit dit recht gecodificeerd; in staatsblad 1906 n° 431 daarentegen is het gelijkgemaakt aan het recht op de andere soort van pengajah-velden, hetwelk naar de adat een belemmerd inlandsch bezitrecht was. Naast deze gewone figuur bestond nog deze tweede, dat de, soms door een vrije, meestal door een hoorige (sepangan), in bewerking gekregen grond op West-Lombok niet van 's lands vorst, maar van een grondheer was (droewë diabe) die dan dezelfde rechten jegens den bewerker had als anders de vorst zelf: de bewerker draagt den grondheer de helft van zijn rijstopbrengst af en draagt de waterstaatslasten voor den grond. Of door ontginning op Lombok van grond, die aan een dorp was toegewezen of waarover het dorpsbeschikkingsrecht was in stand gelaten, een gewoon inlandsch bezitrecht ontstond dan wel dit bewerkingsrecht, blijkt niet.

Genotrecht van grond (ouder dan bezitrecht) komt op Bali en op Lombok in twee- of drieërlei gedaante voor. Vooreerst heeft men het gewone tijdelijk en onoverdraagbaar genotrecht van extensief gecultiveerde wisselvallige bouwvelden (deze gagabouw is op West-Bali zeldzaam), waarmede men koffieplantsoenen wel schijnt gelijk te stellen. Dan heeft men het onvervreemdbare genotrecht in handen van vreemden (d.i. niet-leden der dësavereeniging), in oudere dorpen dus meestal in handen van sampingans die van grond binnen het dorpsgebied mogen profiteeren; zulk een genotrecht, lang voortgezet, gaat bij droge tuinen of velden dikwijls ongemerkt in inlandsch bezitrecht over. Eindelijk schijnt men voor Bali en Lombok hiermede op één lijn te mogen stellen het recht op de woonerven; dit recht is niet voor vervreemding vatbaar, evenmin naar het schijnt voor verpanding, en is aan het beschikkingsrecht van het dorp, hetwelk de erven desnoods kan inkrimpen en ze bij verlating aan een ander toebedeelt, ook in die streken nog onderworpen, waar zelfs de droge velden er reeds in hoofdzaak aan zijn onttrokken; gaan woonerven over

Sluiten