is toegevoegd aan uw favorieten.

Verslag van de Staatscommissie ter Bevordering van de Personeelsvoorziening voor den Indischen Dienst

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

89

jaren in tegenstelling met vroeger een bepaalde tegenzin zou bestaan om naar Indië te gaan, blijkt dus gelukkig niet juist.

Over de 8 afgeloopen jaren (1913 t/m 1920) was bedoeld percentage 29,2, waarvan 15,7 pet. in Staatsdienst en 13,5 pet. in particulieren dienst.

Houdt men in het oog, dat Nederland en Indië voor hunne voorziening in de behoefte aan hoogere technici op éénzelfde Nederlandsche bron zijn aangewezen en dat het totale aantal studeerenden te Delft in de laatste jaren sterk toeneemt, dan maakt het percentage van 30 voor Indië stellig geen ongunstigen indruk en stemt hoopvol voor de toekomst. In het bijzonder is dit hel geval met de categorie der civiel-ingenieurs, omdat van de 524 hunner, die te Delft werden gevormd en geacht kunnen worden werkzaam te zijn bij waterbouwkundige werken in Nederland en Indië, er 44 pet. in het eerste en 56 pet. in het laatste land zijn geplaatst. Een alleszins bevredigend cijfer, dat, het zij terloops opgemerkt, nog eens nadruk legt op de wenschelijkheid, op blz. 27/28 van dit rapport betoogd, bij de studie te Delft meer rekening te houden met het feit, dat zoovelen der afgestudeerden later een werkkring in Indië vinden en daartoe, naast hun technische, ook een meer algemeene voorbereiding behoeven.

Bestaat er dus onder de ingenieurs nog geen tegenzin om naar Indië te gaan, wel staat het vast, dat de Staatsdienst aldaar in lantrekkelijkheid tegenover den particulieren dienst heeft verloren, ïen omstandigheid, die onze Commissie, ook op grond der vernegen inlichtingen, zoo niet uitsluitend, dan toch in hoofdzaak neent te moeten wijten aan de ongunstige financieele en andere /ooruitzichten, vooral in de eerste jaren van den diensttijd en in iet bijzonder voor de gehuwden. Een verbetering van die voorvaarden irt den geest der in de vorige hoofdstukken voorgestelde naatregelen zal hier derhalve in de allereerste plaats aanbevélïilj} verdienen. Daardoor zal men kunnen bereiken, dat in mindere mate ian de laatste jaren het geval was, gebruik moet worden gemaakt fan buitenlandsche werkkrachten om het Indische ingenieurscorps :ooveel mogelijk op de vereischte getalsterkte te houden.

Zeer zeker, het mag bij de ingenieurs, bij de technici in het ilgemeen, als een voordeel worden beschouwd, dat men zijn