is toegevoegd aan uw favorieten.

Storm van 's Gravesande

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

104

STORM VAN 'S GRAVESANDE'S

regt achter ons, en aldaer den oorspronk ondekt van de rivieren Cajoenien Masseroeni (welke twee de regten oorspronk deeser Rivier Essequebo sijn) vloeyende beyde uijt een groot lac of meer welke lang is 60 mijlen breet in de 20 welke seer diep is het water azuur blauw sonder visschen daer in ongevaer 75 a 80 uuren in een regte linie boven het Fort Kykoveral; dat haer tfoorneme was bij den oorspronk van gemelte rivieren sig neder te setten en te fortificeeren, soo dat wij dan in het ronde omzet sullen weesen*); zij stellen vast dat dit het soo beruchte lac van Parima is, wort ook dus van de daeromtrent woonende Indiaenen genaemt, soo dat wij het selve veel nader als oijt gedagt was hebben, synde veel zuydelyker gesogt. Gemelte Persik heeft niet alleen de paters en officieren die gemelte togt hebbe gedaen gesproken, maer de caert daer van sien opmaken (waer van ik door alle middelen sal trachten een copye te bekomen); hij heeft ook eenige Indianen gesien die sij van daer mede gebragt hebben, synde redelijk blank en gekleet met catoene stoffe die sij selver bereyden.

Ik neme de vrijheyt nogmaels het bovenstaende UEGA ernstige overweginge aen te beveelen wijl sulx van het uijterste gewigt voor deese Colonie in het vervolg sal worden welke door de zeegen des Alderhoogsten nu in een bloeijende staet begint te komen.

Ik soude het eerste fort boven in Cajoene reets van overlange weg genomen en gedemolieert hebben t welk mij door middel der Caraibes, tot nog toe gemakkelijk te doen is, was ik maer regt bewust hoeverre sig de limiten van UEGA territoir uijtstrekken soo wel van ter zijden oostelijk en noordelijk als achter uijt zuijd en westwaarts, waer van geen de minste bescheyden alhier in het comptoir worden gevonden, waerom instandig versoeke UEGA de nodige berichten dies aengaende geheven naer alhier te besorgen, wijl een mistasting in deese gevalle van al te quade gevolgen soude konnen weesen *).

') Zie noot 1, blz. 52.

*) Het antwoord op dit verzoek, zoowel als op die in Storm's brieven van ao Juli en 7 December 1746, welke over hetzelfde onderwerp handelen, was als volgt:

o September, 1747. „Wij hebben alle de Kameren versogt, ieder in den haren nategaantj» te inquireeren off ook ondekt kan werden tot hoeverre de limiten van de Compagnie in Rio Isiquebo zig komen te extendeeren, niettemin zoo UEd. inmiddels door indirecte middelen en sonder daarin zelve te paroisseeren, zult kunnen uijtwerken dat de Spanjaarden gedepossideert werden uijt de forten en logien die zij volgens UEd. sustenuen gemaakt hebben op de gronden van de Comp. en belet zij aldaar verder te extendeeren, zult UEd. wel doen met zulkx in het werk te stellen.."

In denzelfden brief schreven de Bewindhebbers:

„Wanneer in Isequebo gevonden mogte werden een bequaam landmeeter, recommandeeren wij UEd. van de voorn, colonie te doen maken een accurate afteekening, zoo van de aldaar zijnde plantagien en derzelver groote, als van de nog onbebouwde en niet uijtgegeeven gronden, en die afteekening aan ons toetesenden."

De accuratesse van zulk een kaart, waar noch de Commandeur noch de Compagnie