is toegevoegd aan uw favorieten.

Een eeuw veeartsenijkundig onderwijs

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van 's Rijks* Veeartsenijschool.

75

Inwijdingsfeest.

De Directeur achtte het wenschelijk de school te openen met een inwijdingsfeest van het etablissement en verzoekt den Minister een „vreugdedag aan de kweekelingen'' te mogen geven, ter gelegenheid van de opening der veeartsenij school op 6 December 1821, den dag, waarop Z.K.H. de Prins van Oranje verjaart.

De Minister keurt deze aanvraag aldus goed:

„Een instelling toch als deze is, behoort tot die weldaden, waaraan de Nederlander, onder vroegere besturen verstoken was, en dien hem de vaderlijke regering van onzen Koning, dubbel dierbaar maken; eigenaardig derhalve om de dankbare herinnering aan die weldaad in verband te brengen met een dag, welke voor de geheele natie een groote feest* dag is, en waarop, elk rechtschapen Neder* lander prijs stelt".

Dat het feest goed geslaagd is, blijkt uit onderstaand schrijven, door den Directeur aan den Minister voor het Publieke Onderwijs, de Nationale Nijverheid en de Koloniën gericht, dat tevens blijk geeft van de vaderlijke zorgen van den Directeur voor de kweekelingen.

„Hoog Edel gestrenge Heerl

Ik mag niet nalaten, Uwer Excellentie mijnen dank te betuigen voor het feest, ons op de heuchelijke verjaardag van Zijne Koninglijke Hoogheid, onzen geliefden kroonprins, door Uwe goedheid geschonken. Dit feest is ge* noeglijk en wel afgeloopen. Ik heb, in den vooravond, aan de vreugde der jongeheden deelgenomen, en mij verheugd over de eens* gezindheid, welke er onder hen heerschte; alle hebben, met geestdrift, op het leven van Zijne Majesteit onzen geëerbiedigden Koning, van onzen geliefden kroonprins en der leden van het vorstelijk huis gedronken, en wij allen nebben met dankbaarheid gedacht aan de wel* daden, die Uwe Excellentie ons, in de stichting onzer vee*artsenijschool geschonken heeft.

Met genoegen kan ik Uwer Excellentie melden, dat het gedrag der kweekelingen mij tot heden zeer voldoet. Bij allen vermeen ik tevredenheid, geschiktheid en ijver voor het vak, waaraan zij zich zullen toewijden, te be* speuren. Mijne ambtgenooten en ik zullen reden hebben (daaraan twijfel ik niet) om ons over de keuze der kweekelingen te verblijden. Die uit de zuidelijke provinciën onzes Rijks, komen mij voor geschikte j ongelingen, en met den besten geest bezield te zijn. Alle zijn ten minsten uit de fatsoenlijke burgerklasse genomen.

Eenige kleinigheden uitgezonderd, zijn de élèves naar vereischten van onderklederen voorzien.

De heer Vosmaer en ik hebben ons reeds deze week met onze lessen bezig gehouden, waarop wij zeer aandachtige toehoorders hadden. Wenschelijk zoude het echter zijn, dat sommige hunner vooral onder de Zuid*Nederlandsche kweekelingen nog wat grondiger in de Neder* Duitsche taal onderwezen werden. En mogt het Uwer Excellentie behagen, ons de ver* gunning te geven, om eenigen der élèves, die daarvoor smaak hebben, onderwijs in de teekenkunde en muziek te doen geven, zulks zou mij zeer aangenaam zijn. De teekenkunst toch moet geacht worden, voor den wel onder* wezenen veearts eene onmisbare kunst te zijn, en de muziek geeft in den ledigen tijd, welke buiten de lessen en oefeningen overblijft, zulk een onschuldige en aangename uitspanning. Daar mij ook de zorg over het zedelijk gedrag der jonge lieden door Uwe Excellentie is toe* vertrouwd, is het mijn pligt, ook in uren van uit* spanning, dit hun gedrag te bewaken, en hen in hunne uitspanningen te leiden; Uwe Excellentie zal mij daarom dit verzoek ten goede houden.

Het strekt mij tot eene onbeschrijflijke vreugde Uwer Excellentie (wien ik, tot mijn har* telijk leedwezen, tot hiertoe met zoovele klaag* toonen moest lastig vallen) thans te kunnen be* tuigen, dat ons begin zoo gelukkig geweest is.

Ik eindig dezen met oprechten dank voor genoten weldaden en bewijzen van vertrouwen; ik hoop, bij voortduring mij dit vertrouwen waardig te maken, en heb de eer mij met den meeste eerbied te teekenen

Hoog Edel gestrenge Heerl Van Uwe Excellentie de zeer onder*

danige en gehoorzame dienaar (w.g.) Th. G. van Lidth de Jeude Gildestein bij Utrecht.

10 December 1821".

De colleges van Prof. Van Lidth de Jeude en Prof. Vosmaer hadden dus een aanvang genomen in December 1821. De lessen in de veeartsenijkundige vakken van Prof. A. Numan namen eerst een aanvang op 26 September 1822, waarbij de hoogleeraar een uitvoerige rede uitsprak „Over de Veeartsenijkunde en de Inrichting van derzelver Onderwijs, overeen* komstig met het belang der Maatschappij".

Hiermede was derhalve de eerste inrichting voor veeartsenijkundig onderwijs in Nederland tot stand gekomen.