is toegevoegd aan uw favorieten.

Een eeuw veeartsenijkundig onderwijs

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK V.

DE WET VAN 8 JULI 1874 (Stbl. no. 99) door G. KREDIET.

Tot 1874 regelden Koninklijke Besluiten en Ministerieele beschikkingen alles, wat met de RijksVeeartsenijschool verband hield, yeran* deringen in de eischen van toelating, in het onderwijs, het personeel, in de examina kwamen buiten de volksvertegenwoordiging om tot stand. De gewone weg was deze, dat van de zijde van den directeur der Rijks*Veeartsenij* school een voorstel werd gedaan, dat binnen weinige dagen de departementen doorliep en hetzij de Koninklijke, hetzij de Ministerieele bekrachtiging verkreeg. Verrassend is het, hoe soms binnen korten tijd belangrijke zaken hun beslag kregen. De invloed van den deskundige aan de School bij een meegaanden minister was buitengewoon groot. Was deze daaren* tegen van andere gevoelens, dan was er voor den directeur weinig te bereiken, zooals onder Thorbecke in 1851 werd ondervonden.

Had de Koninklijke*Besluiten*en*Ministe* rieele»beschikkingen*periode aan de School voordeden, de nadeelen waren toch ook groot. Het ingrijpen van Thorbecke was een daad van willekeur, hoe goed ook bedo eld. Alles wat nog aan hooger onderwijs herinnerde, werd als uit den tijd beschouwd, de Rijks* Veeartsenijschool werd een etui van middelbaar onderwijs aangepast. Zoo iets zou tegenwoordig moeilijk buiten voorkennis van de volksver* tegenwoordiging kunnen geschieden. Het on* derwijs toch is een volksbelang van hooge waarde; daarbij komt, dat, waar het veeartsenij* kundig onderwijs deskundigen opleidt, die een zoo grooten invloed uitoefenen op den vee* stapel van ons vaderland, het ook reeds uit dezen hoofde niet aan den invloed van de

volksvertegenwoordiging onttrokken mag zijn. De kennis van den veearts, noodig bij de bestrijding der besmettelijke veeziekten, bij de bevordering van den gezondheidstoestand en de verbetering van den veestapel, bij de be* oordeeling van vee en vleesch, bij de behan* deling en aankoop der paarden in het leger, werd als in den tijd der moderne despoten aan het volksbelang gegeven, ten nutte van de maatschappij, maar buiten die maatschappij om.

Een dergelijke toestand kon niet blijvend zijn, toch schijnt het volk, als ik tenminste in de volksvertegenwoordiging een afspiegeling van het volk mag zien, tot 1850 onverschillig te zijn geweest, welke de eischen van toelating tot de Rijks* Veeartsenijschool waren, welke vak* ken werden onderwezen, welke de eischen van het veeartsenijkundig examen waren. Dat ge* deelte van het volk, dat met den veearts te maken had, bediende zich in hoofdzaak van den hulp, die empiristen konden leveren, kwakzal* vers, die door hunne opvoeding en omgang on* der en met de boeren leefden, hetzelfde dialect of dezelfde taal spraken, en naast den mensch, die hen als ondergeschikten behandelde, ook nog het dier beveeartsten. De veeartsenijkunde was immers een wetenschap der ervaring, meer dan een van studie en onderzoek 1

Zoo tegen 1850 gingen er enkele stemmen op, die deze kwestie bij de wet geregeld wilden hebben. In een courant verscheen een bericht, dat zoo'n wet aanstaande was. België kreeg in dien tijd zijn wet op het veeartsenijkundig onderwijs. Het hing dus in de lucht. De bui trok evenwel voorbij. Toch was de veeartsenij* kunde, tenminste binnen de muren der depar*