is toegevoegd aan uw favorieten.

Bijdrage tot de kennis van de maatschappelijke verhoudingen van de zestiende-eeuwsche Doopers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8o

holbein waren mannen, die zij onder haar leden telde. staupitz, de geleerde vicaris der Augustijner orde, verkeerde, als hij te Neurenberg vertoefde, bij voorkeur in dien kring.*)

Erasmus, Oecolampadius, Capito, Denck, Glareanus en crocus verkeerden en werkten vriendschappelijk in de drukkerijen. 2) Er was een geestelijk verkeer onder geleerden en kunstenaars en knappe vaklieden, als met recht zeldzaam genoemd mag worden; en het staat vast, dat de geestelijke goederen waarvoor alle streden, den band vormden, die hen aldus krachtig te zamen bond.

En zoo vonden dan ten slotte de beide vereenigingen, die onder Rome's druk beide zoo goed en zoo kwaad als het had kunnen gaan, de Waldenzer idealen gekoesterd en gekweekt hadden, elkander juist in deze bijeenkomsten terug.

De «Broeders des gemeenen Levens», die zich door hun wetenschappelijk werk uit de eenvoudige arbeiderskringen geëmancipeerd hadden, de drukkers, die feitelijk ook de smeden en bouwlieden achter zich hadden gelaten, zagen zich hier vereenigd en vonden elkaar als vanzelf. De groote harmonie, die er heerschte, is zeker niet beter te verklaren dan uit de gelijkgestemdheid van hun geest.

En het is ons dan ook niet mogelijk in de «Broeders des gemeenen Levens* iets anders te zien dan geestverwanten van de Waldenzen. Het is ons niet mogelijk hen voor iets anders te houden dan voor onuitgesproken ketters, ketters in principe en Katholieken metterdaad; voor lieden, die het niet zoover lieten komen met hun redeneeringen, dat zij de Kerk er door aanvielen, maar met feitelijk dezelfde ethische beginselen als waaruit herhaaldelijk Waldenzer ketters gegroeid zijn.

Hoe zij zich zelf beschouwden, is natuurlijk moeilijk uit te maken. Er zijn ongetwijfeld vele eenvoudige vromen tot de Broederschap toegetreden, die veel te weinig dogmatisch aangelegd waren, om ook zelfs de conflicten te bevroeden. Er waren er ook, die trachtten de Waldenzer idealen van onbesproken

*) Keller, pag. 323—328. De schilders behoorden reeds als vaklieden tot de Hütte.

*) Ib. pag. 328.