Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

480

voor de republiek eene stilzwijgende verplichting tot beperking ten aanzien van de door haar te nemen fiscale en handelsmaatregelen. Venezuela daarentegen was weer politisch afhankelijk van Curacao en dus bestond er voor Curagao eene stilzwijgende verpachting — en het protocol van 1894 dan ? — om hare vrijheid aan banden te leggen in aangelegenheden, welke gevaar konden opleveren voor de politieke rust in Venezuela. „Toen dan ook de Venezolaansche regeering in hare nota van 28 Juh verklaarde, dat zij de vriendschappelijke betrekkingen verbrak, bevestigde zij daarmede feitelijk slechts den toestand door haar dekreet van 14 Mei reeds in het leven geroepen". Was het dan eigenlijk niet zonderling, dat in de Nederlandsche nota van 20 Augustus de verzekering van Venezuela, dat het zenden van het paspoort aan de Reus geen verandering in de goede betrekkingen behoefde te brengen, niet dadelijk in twijfel getrokken was? Verder zeide de Minister in zijne toelichting, dat hij datgene, waartoe hij door uitvaardiging van het dekreet van 14 Mei 1908 volkomen het „recht" gekregen had — nl. het ook zijnerzijds niet langer in acht nemen van de beperkingen in de souvereine rechten, onder bevriende staten gebiedend —, niet had willen doen, maar dat hij liever president Castko de gelegenheid had willen geven, om op rijn besluit terug te komen, zonder de gevolgen van het „ius tahonis" te hebben ondervonden. Werd hiermede dan echter niet zijdelings erkend, dat de nota van 3 September toch wel eene bedreiging inhield? Wraak te zullen uitoefenen is toch zeker wel eene bedreiging? Onze Minister hield evenwel vol, dat het eene „welgemeende waarschuwing" was geweest. Het betoog schijnt ook uit anderen hoofde niet sterk: president Castro mocht dan, volgens Minister de Marees van Swinderen, door het dekreet uit te vaardigen, een ongeschreven rechtsregel hebben geschonden, Nederland deed erger en maakte zich eenzijdig van eene niet opzegbare verdragsverphchting, het

Sluiten