Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

485

bl. 632). Behalve met de Vereenigde Staten moet de Nederlandsche regeering ook met andere Mogendheden over een optreden tegen Venezuela in gedachtenwisseling getreden zijn. Van alle was, zoo werd in de toelichting op het Oranjeboek verzekerd, de meest onomwonden instemming met de gevolgde gedragslijn ontvangen en alle zonder onderscheid hadden haar moreelen steun verleend.

Dat zij, en in de eerste plaats Duitschland, dat voor zijne handelsbelangen in Venezuela had pp te komen, geen bezwaar tegen den door Nederland beraamden maatregel hadden, kon, den aard daarvan in aanmerking genomen, ook niet twijfelachtig zijn. In overleg toch met „bij uitstek deskundigen" — later bleken dit Mr. T. M. C. Asser en luitenant-ter-zee eerste klasse H. G. Surie te zijn (vgl. de Nieuwe Courant van 2 Februari 1909) — was besloten, om als represaille tegen de onrechtmatige aanJioudingen van Nederlandsche schepen (zie de toelichting op het Oranjeboek) de gouvernementsmarine van de repubhek in beslag te nemen. De particuliere Venezolaansche en vreemde schepen zouden dus ongemoeid blijven.. Van eene vredesblokkade met al de moeilijkheden daaraan verbonden, met name hoe tegenover handelsschepen van vreemde Mogendheden te handelen, wilde de regeering dus blijkbaar niet weten; evenmin van eene oorlogsblokkade, al dan niet voorafgegaan door eene oorlogsverklaring, welke den toestand nog maar ingewikkelder had moeten maken. De late plaatsing in het Staatsblad van de declaratie van Parijs van 1856, die op 11 November 1908 plaats had (St. 1908 N°. 325), staat met de maritieme represaille in geen enkel verband. Men beoogde met die represaille het der Venezolaansche regeering onmogelijk te maken de overkomst van revolutionairen tegen te gaan, misschien ook haar te beletten met hare marine troepen en oorlogsbehoeften naar plaatsen in opstand te vervoeren. Eene afkeuring hiervan vindt men in de Law Magazine and Beview deel XXXIV (1908/09

De maritieme represaille van 1908.

Sluiten