is toegevoegd aan uw favorieten.

Onderzoek naar de moeilijkheden ondervonden bij de uitvoering van openbare werken in Nederlandsch-Indië door tusschenkomst van aannemers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

113

Eene andere omstandigheid die de uiteengezette kwesties van het niet vinden van goed zand vertroebeld heeft, is aan Uwe Excellentie door den heer Directeur der Burgerlijke Openbare Werken uiteengezet in zijn schrijven van 10 Januari 1914, n°. 560, H. W., en laatstelijk bij zijn brief van 3 April 1914, n°. 6413, H. W.; daar de inhoud van die berichten onjuist is, kan een en ander tot verkeerde gevolgtrekkingen aanleiding geven.

De aangehaalde brief van 10 Januari 1914 komt neer op de vermelding van de zoogenaamde „ontdekking" van den Ingenieur der Burgerlijke Openbare Werken F. C. Nienabeb dat de aannemer op het oogenblik der indiening van zijn claim op 23 Juli 1913 betreffende de schade ondervonden door het niet aanwezig zijn van bruikbaar zand op de noordelijke plaat in het boringstelegram van wijlen den heer Nobel bedoeld, wel degelijk bekend was met de aanwezigheid van goed zand op een plaats meer zuidehjk in den Goamond gelegen, welk zand gevonden was bij boringen verricht door den werkbaas van den aannemer, de Kbaay genaamd.

De aannemer zou over die laatste boringen opzettelijk gezwegen hebben.

Een blik op de kaart (Bijlage II) toont onmiddellijk de situatie van die noordelijke plaat en de situatie van het terrein waarbinnen de boringen de Kraay vallen en dus dat, afgezien van alle andere factoren, die zoogenaamde boringen de Kraaij geheel buiten het gedeelte zandplaat vallen, waarop het boorbericht der aanwijzing betrekking heeft. De aannemer, die zijn verzoek om schadeloosstelling steunde op het ontbreken van het goede bruikbare zand op de noordelijke plaat en daartoe afzonderlijk boringen had doen verrichten, welke later door de Directie werden gecontroleerd en juist bevonden en waarvan de resultaten ook door onze Commissie werden vergeleken, kon in zijn eisch gevoegelijk het boorterrein de Kraaij als in geenerlei opzicht met de door hem bedoelde kwestie verbonden, buiten beschouwing laten. Evenwel, nog een ander punt verdient in dit verband de aandacht. De boringen de Kraay en de resultaten daarvan,' waren niet uitsluitend den aannemer bekend doch ook aan de Hoofddirectie van het werk, den Hoofdingenieur der Burgerlijke Openbare Werken H. C. J. Stbengnaebts, die volledig op de hoogte gehouden werd en wien van alle uitkomsten mededeeling werd gedaan. In de toevallige omstandigheid dat de Ingenieur Nienaber van een en ander niet op de hoogte was en meende een ontdekking te doen, een uitvoerig schrijven met proces-verbaal richtte tot zijn directen Chef, den Hoofdingenieur Stbengnaebts, met de uitkomsten der boringen de Kraay, aan diens kladzakboek ontleend, ziet onze Commissie een gebrek aan volledige openhartigheid tegenover dien Chef met als gevolg het verrichten van een overbodigen arbeid dié nuttiger aan andere zaken had kunnen worden gewijd.

Dit klemt te meer, waar op deze boringen van de Kraay door de Directie controleboringeii zijn verricht en waardoor aangetoond werd dat de uitkomsten der boringen door den ingenieur Nienabeb van den werkbaas de Kbaay overgenomen, niet alleen minder juist waren, maar bevestigd werden, de gegevens indertijd door den aannemer aan den Hoofdingenieur Stbengnaebts verstrekt. Ook dit heeft onze Commissie gedetailleerd nagegaan en onze conclusie luidt dat van achterhouden van uitkomsten van boringen verricht door den werkbaas van den aannemer of van misleiding door den aannemer geen sprake is geweest.

In dit opzicht mag niet over het hoofd gezien worden, dat ten tijde de ingenieur Nienabeb de „misleiding" vermoede, het werktuig van den aannemer lag te baggeren in de geul juist in de richting van die boringen om te trachten het door de Kraay gevonden vrij goede zand te bereiken. Trouwens van aannemers-standpunt bezien, was het voor den heer De Groot van het meeste belang zoo snel mogelijk zand te brengen naar de stortplaatsen voor Makasser om zijn werk te kunnen afmaken. Hij was toch door al dien tegenslag belangrijk ten achter geraakt; had de aannemer direct het goede zand kunnen vinden, dan had hij in Augustus-September 1913 kunnen beginnen met het plaatsen der groote caissons, waarvoor de bouwput ten behoeve van dag- en nachtbedrijf oorspronkelijk was ingericht, hetgeen nu overbodig werd daar met het stellen van de caissons toch niet kon worden begonnen.

6. Gevolgen van het ontbreken van goed zand. Resumeerende was dus het gevolg van het ontbreken op de aangewezen plaat van goed bruikbaar zand, dat door den aannemer schade-ondervonden werd:

1°. door de uitgaven voor de proefnemingen om het gewenschte zand te winnen;

8