Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Over het tabernakel zie onder „Eucharistie"; Hertkens [442] enz., en Raible [434].

W. v. d. K., O. S. B., gaf eenige hist-Hturgische inlichtingen in: [1507] L. T. 1911. dl. 1, No. 2, blz. 92—98.

Over de Godslamp zie ook Graaf [446] onder „Eucharistie".

Ten slotte een afzonderlijk woordje over:

Fr. Wiel and. [1508] Mensa und Confessio, Mch. 1906, (Af. 3 ):

„Studiën über den Altar der altchristl. Liturgie." Behandelt de ontwikkelingsgeschiedenis van het christelijk altaar: Dl. I. „Der Altar der vorkonstantinischen Kirche". Schr. vond eerst in het begin der III« eeuw gegevens voor het bestaan van een christelijk altaar. Uit dit feit trok hij enkele conclusies omtrent het „offerbegrip" der eerste twee eeuwen, n.1. dat de H. Eucharistie

meer een maaltijd was dan wel een offer. Dus — redeneerde hij

in het N. T. geen wezenlijk altaar noch bij de Apostolische Vaders, maar een mensa, vóór Irènaeus géén wezenlijk offer, maar een confessio te gelijk dankzegging en doxologie.

Naar aanleiding dezer hoogst bedenkelijke stellingen beliep dit werk een verpletterende kritiek van E. D o r s c h, S. J. [1509] in: Z. K. T. 1908, blz. 307—352: waar Wieland van modernisme en ketterij wordt beschuldigd.

Daarop antwoordde Wieland met een verweerschrift, getiteld: [1510] ,Die Schrift „Mensa und Confessio undP. E. Dorsch, S. J.", Mch, 1908, (Af. /—): waarin Schr., na uitzetting van den „status quaestionis", zijn orthodoxie tegen P. Dorsch, S. J.'s aanvallen tracht te verdedigen, en poogt aan te toonen: dat hij niet heeft willen beweren het volkstrekt atwezig-zijn van een offer in de eerste eeuwen, doch alleen het afwezigzijn van het tegenwoordige offerbegrip. „Doch sind" — aldus o. a. J. Lehmer — „die Aufstellungen W.'s nicht zu halten." In hetzelfde werkje antwoordt Wieland op een eveneens vernietigende kritiek van Struckmann, [1511] in: T. R. 1907, No. 20 en diens wederwoord op W.'s repliek [1512] (1908, No. 2). Daarop verscheen „zur Abwehr":

E. Dorsch, S. J., [1513] Der Opfercharacter der Eucharistie einst und jetzt, Inbr., 1909, (Af. 4.40): een dogmat-patristische studie, waarin wordt aangetoond, dat W.'s opvattingen „dogmengeschichtlich verfehlt" zijn. Als antwoord hierop verscheen:

F. Wieland, [1514] Der vorirenaische Opferbegriff, Mch., 1909, (Af. 3.—): waarin hij uitdrukkelijk verklaart aan zijn „Mensa und Confessio", als op waarheid berustend, vast te blijven houden. Lehmer merkt omtrent dit boek op: „dass es Wieland ofFensichtlich „nicht gelungen ist, eine vollstandige, prinzipielle Aenderung des Opfer„begriffes innerhalb des zweiten Jahrhunderts nachzuweisen. Dass die „altesten Schriftsteller die damals allgemein übliche und im Sinne einer „Gaben-oblation aufgefassten Sakrifizial-Ausdrücke samt und sonders „symbolisch verstanden hatten, wird nicht stringent bewiesen. Der Ver-

176*

Sluiten