is toegevoegd aan uw favorieten.

Het strafrecht in Nederlandsch-Indië, zooals dat hier te lande geldt sedert de invoering van het nieuwe Strafwetboek op 1 Januari 1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-106-

was ten aanzien van het gepleegde feit zijn wil te bepaleh, tengevolge hetzij van den toestand van bewusteloosheid, waarin hij verkeerde, hetzij wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing zijner yer standelijke vermogens.

Tegen deze formuleering van de gronden van uitsluiting der toerekeningsvatbaarheid, ontleend aan § 51 v. h. Duitsche strafwetboek, had men echter tweeërlei bezwaar, le wegens de opneming van den toestand van bewusteloosheid in verband met de strafrechtelijke aansprakelijkheid van onder den invloed van dronkenschap verrichte' strafbare handelingen, 2e wegens de beperkte vrijheid van beweging den rechter en psychiater gelaten.

Ter tegemoetkoming aan die bedenkingen verviel tenslotte uit het artikel „de toestand van bewusteloosheid" en werd het artikel verder zöö geredigeerd, dat er niet meer een bepaald verband gevorderd werd tusschen de krankzinnigheid en het gepleegde strafbare feit.')

Art. 44 luidt thans:" Niet strafbaar is hij, die een feit begaat, dat hem wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing zijner verstandelijke vermogens niet kan worden toe gereken d."

Art. 30 (33) Swb. oud luidde:" Er is ncch misdrijf noch overtreding, wanneer de beklaagde tijdens het plegen van het feit in staat van krankzinnigheid verkeerde, of wanneer hij door overmacht werd gedrongen". Deze regeling der gronden van niet-toerekeningsvatbaarheid was geheel onvoldoende en uit psychiatrisch oogpunt aan ernstige critiek onderhevig; het woord,, krankzinnigheid" was veel te eng, doelde slechts op een bepaalden vorm van geestesstoornis en daardoor werden vele andere gronden feitelijk wettelijk onvermeld gelaten. 2)

Ons art. geeft een veel betere regeling, thans heeft de strafrechter ten volle gelegenheid om te letten op tal van invloeden, die milieu, omstandigheden, ontwikkeling en

Al wordt er echter niet meer het hier aangegeven verband gevorderd, toch zal de rechter hebben te beslissen, dat het gepleegde feit den dader niet kan worden toegerekend; maar het groote verschil is, dat, terwijl naar den oorspronkelijken tekst de rechter de niet-toerekeningsvatbaarheid alleen kon uitspreken op grond, dat de dader wegens krankzinnigheid enz. niet in staat was geweest t. a. v. het feit zijn wil te bepalen, thans door hem het ontbreken van de toerekeningsvatbaarheid kan worden aangenomen o p grond van een in het algemeen bij den dader geconstateerde geestesstoornis. Zie over de geschiedenis van art. 37 Ned. Swb. Smidt I blz. 364—383. 2) De Ned.-Indische rechtspraak heeft intusschen steeds aan het woord" „krankzinnigheid" in art. 30(33) Swb. oud een uitgebreide beteekenis gehecht en liet daaronder vallen élke stoornis der geestvermogens, die de zielsziektenleer als een bepaalden ziektevorm kent.