Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

476

HET LAND VAN ZARATHUSTRA

moet wezen om van hun taal, alle trillingen en innerlijke ruischingen mee te voelen en mee te hooren; om ook van hun vergelijkingen, symbolen en allegorieën, alles te begrijpen in hun eigene harmonische gelijkmatigheid. Het zijn allereerst geweldige natuurdichters, en daarom zijn zij eeuwig frisch en eeuwig modern 1 De belachelijke critiek van Allard Pierson op IsraëTs propheten is die, — overal waar hij althans buiten historische textcritiek blijft, — van een volslagen machtelooze; van een, die het visioen door het visioen nooit genaderd is; van een, die in zijn eigen predikanten-gezwollenheid en in zijn koude rhetoriek, het supra-naturalisme van deze godsgezanten woord voor woord misverstond en innerlijk verminkte. Deze rhetoriker waagt smadelijk te spreken van den duisteren stijl der propheten en van hun onnatuurlijkheid, en hij bespot de herhalingen van Micha. Hij haalt het melodische roepmotief aan en de zingende apostrophe: „Hoort gij volkerenaltemaal", welke eenige keeren terugkomt in denzelfden dreigend-dreunenden klank van het waarschuwende woord en meneer Pierson kan het niet verdragen, dat de latere Jezaja ook weer begint met „nadert gij volkeren om te hooren". Zou deze zeer belezen aestheet wel ooit de Babylonische lofzangen beluisterd hebben? Heeft bij ooit een Aegyptische hymne aanhoord, of een gebedslied van Zarathustra, waarin de zin- en beeldherhalingen in een zoo martelende veelheid van verbiage-vormen terugkeeren, dat ze niet alleen staande uitdrukkingen worden, maar prototypen bijna voor iederen zang en ieder gebed? En is deze aesthetische nuchterling, — die Jeremia als Hebreeuwer zoo bont en lomp met zijn critiek waagt toe te takelen om propheet's stoute vergelijkingen, en zijn ontzachlijk menschelijk, ethisch en dichterlijk schoon dat zoo ver boven Pierson's taalgevoel uitstijgt, .— is hij wel de man der „ontleding", als hij niet tegelijkertijd kan laten zien hoe de zangen van de Upanisads zich verhezen in dezelfde ijltespheer eener hemelsche lyriek; hoe ook de scheppers van deze strophen de herhalingen, de „overdrijvingen", het mateloos-cosmische en de meesleepende macht van hun ont-

Sluiten