is toegevoegd aan uw favorieten.

Eenige grondslagen voor de financiering der onderneming

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

82

De zwevende kapitalen der ondernemingen zijn gelijk aan de massa goederen, die de kredietbehoevende ondernemingen, schakels in hetzelfde produktieproces, uit dien hoofde in bewerking hebben. Wordt een deposito opgevraagd, dan is het voor aankoop van goederen, waardoor de verkooper geld ontvangt, waarmede hij öf zijn schuld aflost, öf in de plaats van den kooper deposant wordt.

En ten aanzien van het variabele kapitaal geldt hetzelfde. Dit is overgedragen aan de ondernemingen, die den voorraad verbruiksgoederen en binnenkort tot zoodanig rijpende goederen onder zich hebben. Naarmate de spaarder deposito opvraagt koopt hij verbruiksgoederen, zoodat- opvraging van deposito automatisch met aflossing van bankkrediet door den verkooper samengaat. De drie schema's op blz. 68/69 toonen dit naar mijn meening duidelijk aan. Dit verklaart hoe de banken de opvraging der deposito's zoo geheel in de hand der krediteuren kunnen geven: de opvraging gaat automatisch gepaard hetzij met plaatsvervulling, hetzij met terugbetaling door de debiteuren der bank.

Deze voorstelling van de noodzakelijke aequatie in het kredietwezen is gewaagd en de bezwaren er tegen liggen voor de hand.

Men zal opmerken, dat het eigen kapitaal der bank en de deposito's der ondernemingen niet speciaal worden gebezigd voor kredietverleening aan ondernemingen met verwante bedrijven, dat evenmin de deposito's der individuen voor voorschotten op verbruiksgoederen worden aangewend. Men zal er op wijzen, dat de banken haar depositogelden niet plegen uit te leenen aan winkels, houders van konsumptieartikelen, dat zij daarentegen wèl daarmede een wissel diskonteeren, waaraan b.v. een van den verbruiker nog ver verwijderde ijzertransaktie ten grondslag ligt. Volkomen waar, maar ik verwijs daartegenover naar wat ik schreef op blz. 65, toen ik in het licht stelde, hoe van vier ondernemingen met achtereenvolgende produktie van zes maanden bij iedere onderneming, één konstant kapitaal verkrijgt en dat de helft van het jaar aan de tweede overdraagt, terwijl de beide andere beurtelings krediet genieten door overdracht van variabel kapitaal. Ik schreef aan het slot van die beschouwing: „Gemakshalve bracht ik hier de finale producenten met de verbruikers in kontakt, maar het is evengoed mogelijk, dat de eerste onderneming kort krediet geniet uit het variabele kapitaal, de tweede lang krediet.de derde leveranciers-