is toegevoegd aan uw favorieten.

Geschiedenis van den Amsterdamschen schouwburg, 1496-1772

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE BRABANTSCHE KAMER ,,'T WIT LAVENDEL"

met leden van de Brabantsche kamer, waarin Dirk Rodenburg, wiens drama's door Coster en Bredero heftig werden aangevallen,' eene voorname rol speelde. En aan den onderhngen twist kwam eersteen einde, toen Coster en Bredero met eenigen van hun omhang in 1617 „In Liefde bloeyende" verheten om eene nieuwe vereeniging te stichten. Met trots vermeldt Coster, dat door het werk van Bredero en van hem-zelf van *2 Juli 1615 tot April 1616 de kamer meer dan / 2000 aan het Oude-mannenhuis had kunnen afdragen.1) En deze dichters waren er nu door een troep anonymi uitgewerkt. Het is 's werelds loop, even goed in hooge staatsambten als in rederijkerskamers.

De Brabantsche Kamer Jt Wit Lavendel".

Na het veroveren van Antwerpen door Panna in 1585 werden de Zeven Provinciën overstroomd door Brabantsche en Vlaamsche uitgewekenen, die hier hun godsdienst vrij konden uitoefenen. Die uittocht is voor ons land van groote beteekenis geweest. Want al kwamen de meeste vluchtelingen hier vrij berooid aan, omdat zij bijna al hunne bezittingen hadden moeten achterlaten, zij brachten mede, wat zelfs een overweldiger niet kan ontnemen hunne kennis en hunne geestkracht. En de Noordelijke Nederlanden die in de 16de eeuw heel wat achterstonden bij de Zuidelijke, hebben door die vermeerdering van kundige en energieke mannen veel gewonnen.

De nieuwe burgers vermengden zich niet dadehjk met de NoordNederlanders — daarvoor was het verschil van landaard te groot — maar hielden zich eerst wat apart. En toen zij rederijkerskamers oprichtten m de grootere steden, wat zij natuurlijk deden, omdat m hun eigen land bijna iedereen rederijker was, hadden die kamers ook een Zuid-Nederlandsch karakter. Waarschijnlijk kort na 1585 werden er rederijkerskamers van Brabanders en Vlamingen opgericht te Haarlem, Leiden en Amsterdam ; de laatste heette 't Wit Lavendel" en had tot kenspreuk „üyt levender jonst"2). Van dé eerste

*) In zijne voorrede voor De Spelen van Gerbrand Adriaensz Bredero (1617) vgl Samuel Coster's Werken, uitgeg. door Dr. R. A. Kollewijn, Haarlem, 1883, blz 621 ) Zie haar blazoen in Van Lennep's Vondel, I, blz. 17.

24