Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wanneer wij ons bezig houden met onze „moderne" letterkunde, dan spreekt het vanzelf, dat wij hiermee bedoelen onze letterkunde van 1880 tot heden. Zij omvat een periode van ongeveer veertig jaar en wij ontveinzen ons volstrekt niet de moeilijkheid, een tijdvak te bezien, dat zoo dicht bij ons ligt, ja, waarin wij eigenlijk nog leven. Het is niet gemakkelijk de lijnen te trekken, de ontwikkeling te schetsen van wat wij niet op een verren afstand kunnen zien. Waartegenover staat het voordeel, dat wij dezen tijd uit eigen aanschouwing kennen, zelf hebben meebeleefd, zoodat wij er onwillekeurig minder „historisch", dus minder koel-objectief tegenover staan, temeer waar de religie ons ter harte gaat en wij overtuigd zijn, dat literatuur, wil zij groot en beteekenisvol zijn, religieus zal moeten zijn.

Dat omstreeks '80 onze literatuur zich vernieuwt, behoeft waarlijk geen betoog, het is wel van algemeene bekendheid. Eveneens waarschijnlijk wel, dat zij zich in die jaren moest vernieuwen. Wie geestelijke en sociale stroomingen als een groote eenheid tracht te zien, bewegingen op diverse gebieden niet los van elkaar kan beschouwen, wie, met Henriëtte Roland Holst en anderen overtuigd is, dat „kunst niet langer kan worden voorgesteld als van de maatschappij-beweging geheel onafhankelijk,"1) die begrijpt, dat de oeconomische opbloei na 1870 opleving van de kunst met zich moest brengen.

Van de eerste helft der 19de eeuw laat zich moeilijk een verheven en opwekkend beeld teekenen; ons land toonde een groote achterlijkheid; na de roemrijke 17de eeuw was een uiterst slappe 18de gekomen, die teerde op het eenmaal verworvene; de revolutie en de inlijving bij Frankrijk hadden ons in een diepen afgrond gestooten en tal van jaren kon van herstel nog geen sprake zijn. De handel kwijnde, Engeland met zijn bloeiende industrie overvleugelde ons en maakte onze Indische koloniën vrijwel waardeloos voor ons. Bij de vereeniging van Holland en België deed zich het verschijnsel voor,

*) Studies over socialistische Aesthetica, „Nieuwe Tijd", XI (1906), bl. tt.

8

Sluiten