is toegevoegd aan uw favorieten.

De religie in onze moderne literatuur

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar stellen ze liever uit tot de volgende periode, waarin hun hoofdwerken vallen.

Liever wijs ik nog op een paar critici, die zich in dezelfde richting uitten. Meermalen citeerden wij reeds iets van Scharten, die uitgroeide tot een verdienstelijk en gezaghebbend criticus, wien dit gezag ook zeer toekomt om rijn zuivere literatuurliefde en rijn vermogen, indringend te ontleden. Hij doorproeft ook de geestelijke bewegingen van rijn. tijd en schrijft naar aanleiding van Robbers' eerste werken, dat deze nog niet aan het eenvoudigste naturalisme toe is, maar dat hij daarmee volstrekt niet zeggen wil, dat hij het naturalisme voorstaat. „Integendeel. Maar ik geloof aan een onafwendbare evolutie, in kunst en maatschappij. Ik houd van de Romantiek, maar met slechts meen ik, dat men thands een romantiek als die van 1850 niet moét schrijven, ik ben van oordeel dat men ze niet kan schrijven, èn echt rijn.

Wie thands goed werk ging maken, dat romantiek zou moeten heeten, die maakte de romantiek van 1950, de romantiek, die zal zijn voortgekomen uit en rusten op het door-leefde naturalisme."1)

Het is misschien wel goed, eens aan dit woord te herinneren, men kan maar niet willekeurig het een of ander schrijven, wij hoeven nog geen naturalisten te rijn om het verband der dingen te erkennen.

Tegen de werkelijkheidsbeschrijving keert zich ook Is. P. de Vooys, merkwaardigerwijze just in verband met het romanwerk van den bovengenoemden criticus, Carel Scharten. In een artikel „De Kinematograaf in de Litteratuur"2) wendt hij zich tegen twee „bijzonder knap geschreven boeken": „Een huis vol Menschen" van Scharten-Antink en „De gelukkige Familie" van Robbers. „Dit zijn de twee beste realistische romans van den laatsten tijd." Maar hij acht ze van een soort realisme, waarvan men zich afvragen moet: wat voor begeerte wekt het? wat voor voldaanheid kan het geven? doch vooral welke nieuwe

*) T.a.p., bl. 335 v. (uit 1907). l) „De Beweging", 1910, I, bl. 1 w.

92