Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik heb het oog op de bepaling in art. 4 van de militiewet, die eischt, dat het nominale contingent zal worden: „vermeerderd met het aantal der lotelingen aan wie vóór 1 Januari van het vorige jaar bij onzen Commissaris in de provincie bekend was, dat zij aan de lichting van het daaraan voorafgegane jaar ontbreken, doordat zij, hetzij niet zijn ingelijfd hetzij na hunne inlijving uit den dienst zijn geraakt". Met het oog op de groote sterkte, die de lichtingen 1915—1918 overcompleet hebben opgeleverd, zou het ter bezuiniging aanbevelenswaardig kunnen zijn geweest, die bepaling buiten werking te stellen. Te gereeder omdat toen een wijziging van de militiewet aanhangig was. Krachtens de aangehaalde wetsbepaling werd het contingent van ieder jaar zooveel grooter dan 23000 man genomen als op 1 januari de vorige lichting aan mannen tekort kwam. Dat het suppleerend deel nog al aanzienlijk is blijkt uit de cijfers.

In 1913 werd de nieuwe wet voor het eerst toegepast en bedroeg het contingent, met inbegrip van dat voor de zeemilitie, 23000 man. Het volgende jaar was het totaal van den indeelingsstaat 25830 man geworden. Er moest dus 12.3% op het nominale contingent aangevuld worden. In de tijden, die toen volgden is de dienstplicht, bij jaarlijksche voorziening, algemeen geweest. Het aanvullingsbeginsel was in die jaren uiteraard niet toepasselijk. Maar zoodra de wet weer normale kracht kreeg, gold ook het aanvullingsbeginsel weer. Nu moest het de aandacht trekken, dat de indeelingsstaat voor 1920 — de eerste die weer normale cijfers aanwijst — een totaal van 25761 man ter inlijving opgeeft, Vermoedelijk is het tekort

Sluiten